Baziel (1).
Baziel stond met Hektor op de Markt. Kwam daar een toerist bij hen staan en vroeg: "Entschuldigung, sprechen Sie Deutsch?"
De twee staarden hem niet begrijpend aan.
"Excusez-moi, parlez vous Français?" De twee bleven hem aanstaren.
"Per favore, lei non parlate Italiano?" Geen gevolg.
"Hablan ustedes Español?" Ze bleven maar staren.
"Do you speak English?" En maar blijven staren.
Daarop de toerist ontmoedigd op zoek naar een ander slachtoffer.
Zegde Hektor: "Baziel, we zouden misschien toch eens moeten beginnen talen leren".
Waarop Baziel: "Ja, en worom? Kiek no dien vremden, je sprikt ie vuuf
toalen, en je kunt hem nog niet verstoanboor maken".
Baziel (2)
Baziel en Hektor stonden aan de toog van hun stamcafé.
Zei Baziel : "Kiek no die mens. Je geliekt heel ip de Paus".
Wat later: " 'k Peizen dat dat de Paus is".
Nog wat later: "'k Gon 't em wel e ki gon vragen zi, osdatie de Paus is".
Hij naar de ongewone gast, vraagt hem iets, en krijgt een snauw terug.
Komt hij weer bij Hektor die vroeg: "En, is 't de Paus?"
Baziel: "Ewè jé gantwoord: je kan ze bitje kussen". En met een zucht:
"Me gon 't dus nooit weten of dat da nu de Paus was".
Baziel (3)
Baziel was kelner.
Vroeg daar een klant "potage aux pointes d'asperges".
Nadat Baziel de soep gebracht had, riep de klant hem terug: "Er zit geen enkel aspergekopje in die soep".
Zei Baziel, "En os je een coupe maison vraagt, 't zit do toch ook gin huus in?"
Baziel (4)
Baziel ging eens naar den Opera.
Aan het loket vroeg hij "een half ticket"
"Waarom een half?", vroeg de kassier.
Baziel: "Omda 'k ik dooft zien ip mijn één ore".
Baziel (5)
Een bazig vrouwmens zei tegen Baziel: "Gij hebt gelijk een bulte op uw rug".
Zegde Baziel, "Ba neen Madam, mo 'k doen ik lik de katten"
"Hoe ge doet gij gelijk de katten?"
"Ja'k, ieder kir da'k een lelijke beeste tegen kommen, krommen ton mien rik".
Baziel (6)
Baziel kwam heel, heel laat thuis.
"Van waar kom je gie?" riep een kwade Zulma.
"Ik hen moeten waken bie 't bedde van een vriend die an 't dood goon is" zei Baziel.
"Waffer vriend?" vroeg Zulma.
"Da ne 'k et nie weten" antwoordde Baziel, "je was veel te ziek vo nog te
kunnen zen name zeggen".
Baziel (7)
Baziel zegde tegen Hektor: "Ik gon ip reize nor Spanje"
Hektor: "Pas mor ip vor een zunneslag, want 't is do toe viftig groden in de
lommer".
Baziel: "Wien zegt er da 'k ik in de lommer gon lopen?".
Baziel (8)
Met zijn oude krak van een auto reed Baziel aan volle snelheid.
Riep Hektor: "D'échappementsbuize rammelt". Geen gehoor. Hij schreeuwde in zijn
oor "D'échappementsbuize rammelt". En zo nog een paar keren.
Zei Baziel al meteens : " 'k En horen nie wat da je zegt, met die
échappementsbuuze die rammelt".
Baziel (9)
Baziel was met Zulma naar de dierentuin getrokken.
Net die dag was een orang-outang losgebroken, en
plots sprong hij van achter een haag en greep Zulma met duidelijke
bedoelingen vast.
"Baziel, Baziel", riep ze, "wa moet 'k doen?"
"Doe gelijk thuus", zei Baziel, "zegt da je zeer in je kop hèt".
Baziel (10)
Bij de namaakantiquair had Baziel een bed gekocht, een Louis Quinze.
Maar 's anderendaags stond hij daar al weer.
Zei hij: "Da bedde is te kleene vo Zulma.
'k Zoen hem willen verwisselen vor een Louis Seize".
Baziel (11)
Zegde Baziel tegen een stamgast op café:
" 't Is rare, mo je geliek gie helegans ip mijn Zulma,
uutgenomen de moustache nateurlijk".
Zegde de stamgast: "Mor ik en hebbe geen moustache".
Baziel: "'t Is toch 't geen dè 'k zeggen".
Baziel (12)
In het circus schreed een beeldschoon meisje naar een leeuw.
Ze ontknoopte haar bovenkleed, haalde een weelderige borst uit en stopte die in de gapende muil van de leeuw.
Algemeen applaus.
Zegde de directeur: "Wie van het publiek durft dit nadoen?"
"Ik, direkt", riep Baziel, "mo doet eerst mor e ki die leeuw weg".
Baziel (13)
In het café stond een oudstrijder op te
scheppen. "Mijn betovergrootvader heeft tegen den Hollander gevochten
in 1830, en mijn overgrootvader tegen den fransman in 1870 en mijn
grootvader tegen de negers in Congo, en mijn vader tegen den Duits in
14-18, en ik ook tegen den Duits in 40 en mien zeune tegen de
communisten in Korea."
Zegde Baziel: "Ja, 'k horen 't, je zie gie van een familie die mè niemand
overeenkomt".
Baziel (14)
Baziel ging naar de dokter, met zware buikpijn.
Zegde hij tegen de dokter: "'t Is verzekers van die oesters dè 'k geêten hen".
Zegde de dokter: "Waren ze vers als je ze open deed?"
"Hoe", zei Baziel, "moe je dat open doen?"
Baziel (15)
De vrouw van Hektor zag Baziel afkomen, die haar man wilde verleiden om mee op café te gaan.
"D'er is niemand thuus" riep ze.
"Allé", zei Baziel, "'t is ton nog best da 'k nie gekommen zien".
Baziel (16)
Baziel had in een onooglijk en schamel hotel gelogeerd.
's Morgens weigerde hij te betalen, onder voorwendsel dat hij geen oog had
dichtgedaan, vanwege een dode luis in zijn bed.
"Allé kom", zegde de uitbater, "wakker gebleven van één dode luis, zeker!"
"Jamor" zei Baziel, " 't en was nie van die doo weegluuze, mor van ol da volk die gekommen was vor de begravinge".
Baziel (17)
Baziel was op weg met de kar, volgeladen met het product uit de aalput, om het land mee te bemesten.
Hij reed onvoorzichtig en in een bocht van de weg kantelde de wagen en liep de ganse vracht weg in de beek.
"Terdju", zei Baziel, "mèn heel 't joor vo niks gescheten".
Baziel (18)
" 'k Werken ik nu in een ottofabriekke" vertelde Baziel, "me maken miender dor ottos"
" Je ziet an den band zeker?", vroeg Hektor.
"Mo ba neen", antwoordde Baziel, " 'k lopen ik do vri".
Baziel (19)
Baziel was kelner.
Riep daar een klant met veel misbaar: "Er ligt een vlieg in mijn glas wijn".
Zei Baziel: "Moe je do zo'n spil van maken, vo 't winnige da zo'n beestjie
drinkt".
Baziel (20)
Baziel was kelner.
Vroeg een klant: "Garçon, heb je kikkerbillen?"
Antwoordde hij: "Neen meneer, 't is mijn broek die spant".
Baziel (21)
Baziel was brandweerman.
Langs een lange ladder kwam hij traag naar beneden,
met in zijn armen een jonge vrouw die hij gered had uit de bovenste
verdieping van een hoog gebouw in lichte laaie. "Morgen sto 'k in de
gazette", zegde hij "pompier redt leven van zwangere vrouw".
"Héla", antwoordde ze, "ik ben niet zwanger hoor".
"Sprik nie te rap" zei Baziel, "me zien nog verre van beneen".
Baziel (22)
Baziel ging op restaurant met Zulma.
"Caviaar" vroeg hij aan de patron, "wat is da?".
"Dat zijn eieren van steur" antwoordde hij.
"Me gon dormee begunnen" zei Baziel. "Vor elks zo'n eitjie, en zochte gekokt".
Baziel (23)
Zei Hektor: "Baziel 'k heb gehoord dat Zulma gevaarlijk ziek is?"
"Ja", zei Baziel, "z'is ziek, mo 't is os ze gezoend is da ze gevoorlijk is".
Baziel (24)
Ze zaten te filosoferen op café.
Zegde Manten "Mijn vrouw had gelezen van de Twee Wezen en w'hebben een tweeling gehad".
En Hektor zei: "De mijne had gelezen van de Drie Musketiers en we hebben een drieling gekregen".
Plots veerde Baziel recht en liep ijlings naar buiten.
Hij riep zijn maats nog na: "Zulma gieng juuste begunnen lezen in Ali-Baba en de veertig rovers".
Baziel (25)
Op de vismarkt vroeg Baziel aan het viswijf: "Is je vis vers? J'en is toch nie
oudbakken?". "Mo Baziel" zei ze, "die vis leeft nog".
"Da wil niet zeggen", zei Baziel, "je leef gie ook nog".
Baziel (26)
Baziel was boereknecht.
Op het erf kwam een bezoeker die vroeg: "Is den boer thuis?"
"Jaje", zei Baziel, "j'is bezig in 't zwienekot. Je got hem wel erkennen, 't is
den dienen met een klakke ip zijn kop".
Baziel (27)
Toen Baziel nog naar de dorpsschool ging, had zijn vader hem 100 fr beloofd als hij met een goed rapport kwam.
Na de prijsdeling kwam hij vrolijk naar huis en zei: "Voader 'k hen goe nieuws vo je, je mag jen hoenderd frank hoeden".
Baziel (28)
Baziel kwam zwaar beladen thuis.
"Ik hèn vuuf flasschen wien gedroenken" wauwelde hij tegen Zulma.
"Mo wit je gie nie dat er olle jore hoenderd duust Fransmans doodgoon van wien te drinken?" vloog ze uit.
En hij: "Dankt den Here da je met een Belg getrouwd ziet, vrouwe".
Baziel (29)
Baziel had een zwaar ongeval overleefd maar was er
gehandicapt uitgekomen: voor goed verlamd. Hij had evenwel tien miljoen
van de verzekering getrokken.
Op een dag bekende hij aan Hektor: "Ik en zien ik nie lam, 't zien makementen gewist vo die miljoenen"
"Ja", zei Hektor," 't is wel schoon geld, maar daarvoor de reste van je leven
in een karretje zitten."
"Ja 'k en doe", zei Baziel, "ten nooste moond go 'k nor Lourdes".
Baziel (30)
Baziel was geopereerd van een blindedarmontsteking.
Toen hij ontwaakte, zegde de verpleegster: "Ik breng u aanstonds de bedpan".
"Wad hem me nu", zei Baziel, "moeten m'hier zelve ons eten maken?"
Baziel (31)
Baziel zat op hete kolen terwijl de controleur zijn belastingen aan het
berekenen was. "Ziezo", zei deze, "alles is berekend Baziel, ik ben zeker dat
je dit als goede burger met de glimlach zult regelen"
"Wat een pak van mijn herte" antwoordde hij, " 'k zaten ol te peinzen da je
gienk me geld vragen".
Baziel (32)
Baziel was kelner.
Kwam er daar een klant uit het toilet: "Ga eens zien" kloeg hij, "die handdoek daar is stinkende vuil".
"Allé", zei Baziel, "j'hangt dor ol een weke en je ziet den eersten die van z'n
neuze makt".
Baziel (33)
Baziel was het huis uitgeslopen met in zijn broekzak
een fles whisky die hij op zijn eentje wou gaan soldaat maken, buiten
het oog van Zulma.
Maar bij het oversteken van de straat werd hij aangereden en tegen de grond gesmakt. Hij voelde aan zijn been: 't was al nat.
"Och Here" riep hij "'t is 't hopen dat 't bloed is".
Baziel (34)
"Moest ik nu dood gaan Baziel" vroeg Zulma "wat zou je doen?"
"'k Zoen zot worden" antwoordde hij.
"En zou je hertrouwen?"
"Ja zot Zulma, mo nie zo zot."
Baziel (35)
De dokter onderzocht Baziel. "Drinkt gij?" vroeg hij hem.
Baziel: "'t Is vriendelijk meneer den dokteur. Wat hè je in huus?"
Baziel (36)
De dokter onderzocht Baziel.
"Ik vind niets" zie hij "ik denk dat het van den drank komt".
"Da gif nie meneer den dokteur," antwoordde Baziel, " 'k gon e kir were kommen os je nuchter ziet".
Baziel (37)
De dokter onderzocht Baziel die "den bever" had.
"Drink je veel?" vroeg hij.
" Ehwel, 'k schienken veel uut", zei Baziel, "mo 'k en drienken nie olles, want 'k sturten vele".
Baziel (38)
De dokter vermaande Baziel: "Dertig procent van de ongevallen gebeuren door mensen in dronken toestand".
Baziel kwam thuis en vertelde aan Zulma: "Den
dokteur heet het gezeid: zeventig percent van d'accidenten gebeuren
deur menschen die nuchter zien".
Baziel (39)
Buurvrouw Melanie woonde alleen. " 'k Ben toch zo benauwd" zei ze.
"En van wadde?" vroeg Baziel.
"Dat ze me 's nachts zouden komen pakken".
"Je moet dor nie mee inzitten" zei Baziel, "os 't kloor wordt en ze zien je,
gon ze je wel were briengen"".
Baziel (40)
De notaris vertelde aan Baziel: "Ik verzamel nu antiek".
"'k Peisden 't wel", zei Baziel, " 'k hèn dor juuste je vrouwe gezien".
Baziel (41)
Baziel verkocht kanarievogels.
Een klant kwam een te haastig gekocht diertje
terugbrengen: het had maar één pootje. "Ja wa wil je?"
vroeg Baziel, " Is 't een schuffelore da je moet hèn of is 't
een danseur?"
Baziel (42)
Zulma vroeg aan Baziel: "Kiekt e ki buuten waffer weer dat 't is".
Hij kwam terug en zei: " 'k En kan 't nie zien, 't smoort te vele".
Baziel (43)
Baziel stond te kijken naar de voorbijtrekkende rijkswachters te paard.
Plots riep hij: "Gendarm, gendarm, je peird is handicapt."
"Hoe zo?" zei de rijkswachter
Baziel: " Eh wel ja, de klootzak zit ol boven".
Baziel (44)
Baziel stond aan de kant van de weg.
Twee "zwaantjes" hielden hem tegen.
"Heb je hier geen vrachtwagen met varkens zien voorbijrijden?"
"Ja 'k", zei Baziel, "zie je d'er misschien van gevollen dè?".
Baziel (45)
Aan de Gentpoort stond een pas aangeworven agentje het verkeer te regelen.
Hij zag er uit als een kommunikantje, blozend gezicht, kraaknet uniform.
Baziel ging dreigend op hem af en sprak:
"Joengentjie, wit je papa da, da je gie agent ziet?"
Baziel (46)
Baziel: "Een citroene, heet da potjies?"
Hector: "Nateurlik nie".
Baziel: "Een citroene, heet dat een bekstjie?"
Hector: "Mo nateurlik nie".
Baziel: "Terdju, 't is ton olgliek m'n kanorie da'k uutgewroengen èn".
Baziel (47)
Baziel reed met zijn fiets midden op de baan.
Twee "zwaantjes" hielden hem tegen:
"Awel vriend, weet gij niet waar dat het fietspad is?"
"Toetoet", antwoordde Baziel, "da ligt do zi, ip de kant.
Mo 'k weet nie os je giender do got ip meugen mè joender zwore mottos".
Baziel (48)
Baziel telefoneerde naar de dokter:
"Dokteur, kom zere, 'k hen mien twee oren verbrand".
"Hoe heb je dat gedaan?" vroeg de dokter.
Baziel: " 'k Was bezig mè strieken en ol mè e ki, de telefon gieng, en 'k hen
toch wè gemist zeker en 't striekiezer tegen men ore geleid".
"Jamaar, je twee oren zeg je?"
Baziel: " Wè ja, 'k mosten toch no joen bellen ook".
Baziel (49)
Baziel: "Apotheker, gift e ki 5 kg Tampax".
Apotheker: " 'k Zie dat je dat niet gewend bent Baziel. Waarvoor moet dat
dienen?"
Baziel: " 't Stoot in de reclame da je dor mee kan
dansen, zwemmen en te peirde riên. En 'k willen dat olle drie e
ki doen".
Baziel (50)
De autodealer: "Baziel, een schonen auto, dat ware iets voor u".
Baziel: "Wa moette ekik do mee doen?"
Autodealer: " Wel, bijvoorbeeld als je om 7 uur met den auto aanzet dan sta je een uur later in Brussel".
Een week later:
Autodealer: "En?"
Baziel: " 'k En gon gin otto kopen".
Autodealer: "En waarom niet?"
Baziel: " Ehwè, 'k èn me bepeisd. Wa moe ik in 's hemelsname 's nuchtens ten achten in Brussel gon doen?"
Baziel (51)
Baziel reed in de verkeerde richting rond een rotonde.
De agent " Ehwel Baziel, heb je de pijlen niet gezien?"
Baziel: " Pielen! Waffer pielen? 'k En hèn zelfs nog gin Indionen gezien".
Baziel (52)
Baziel had in occasie een afgedankte treinwagon gekocht en achter in zijn tuin geplaatst.
Zag Hektor hem daar die wagon vooruitduwen in
één richting, vlug verlopen en duwen in de andere
richting, heen en weer.
Hektor: "Ehwel Baziel, wa stik je dor uut?"
Baziel: "Zulma zit ip 't vertrek en 't is 'niet gebruiken bij stilstand'!"
Baziel (53)
Baziel zat in zijn achtertuin, in de gietende regen, een pijpje te roken onder
een paraplu, gezeten voor zijn wagon.
Kwam Hektor langs: "Mor Baziel, in zo'n weer, waarom kruip je nie in je wagon?"
Baziel: " 'k Hèn me miskocht, 't is een 'non fumeur'!".
Baziel (54)
Toen Baziel naar 't leger moest, vroegen ze hem in 't Klein Kasteeltje: "Kies
je voor de zeemacht, de luchtmacht of de landmacht?"
"De marine" zei Baziel.
"Goed zo, kun je zwemmen?"
Baziel: "Hoe, hèn ze gin boten mè dè?"
Baziel (55)
Baziel meldde zich aan bij een boomhakkersbedrijf.
Hij werd aangeworven en kwam de eerste dag naar zijn werk met een heel klein bijltje, bijna speeltuig.
"Denk je dààr bomen mee om te hakken?" vroeg de baas.
"Nateurlik", zei Baziel, "je wit zeker nie da kik specialist zien?"
De baas: "Specialist, en waar heb je dan wel gewerkt?"
Baziel: Ik hèn bomen geveld in de Sahara"
De baas: "Mor allé, ter zien dor toch gin bomen".
Baziel: "Nu nie mè, nu nie mè".
Baziel (56)
Een Amerikaanse farmer kwam op bezoek en schepte op tegen Baziel:
" Mijn eigendom is zo uitgestrekt dat als ik er de toer wil van doen, ik 's
morgens heel vroeg moet aanzetten en pas 's avonds heel laat weer thuis ben".
Baziel: " 'k Hèn ook nog zo'n otto hèt".
Baziel (57)
Hektor: "Mo Baziel, je hebt een bruine en een zwarte schoe aan"
Baziel: " Ja 't is rare hé. En je wit zeker nie wa? 'k Hèn tuus nog zo'n poor
stoon".
Baziel (58)
Baziel liep door de warme straatjes in Antwerpen.
Klampte hem daar een dame van lichte zeden aan:
" Meneertje, kom je nie mee naar binnen?"
"En vor wa?" vroeg Baziel.
"Je got da zien, hoe geestig dat da dor is" zei het dametje.
Baziel: "Os da do binnen zo geestig is, wa doe je gie hier ton ip stroate?"
Baziel (59)
Baziel stond op de trein te wachten.
"Nor wor go je?" vroeg Hektor.
"Zwiegt Hektor", zei Baziel, " 'k zien Zulma zo beu, da'k e ki no Paries goan.
Ze zeggen dat da gunter vul lopt mè schone meisjes, die stief gemakkelijk zien".
"Zo zo", zei Hektor, "maar als je mè zo'n
voornemens nor Paries goot, wat doe je ton mè die grote
kerkeboek oender joen orme?"
Baziel: "Ehwel, os 't gunter is lik of da ze gezeid hen, zoe'k wel bluuven toe
Zundage".
Baziel (60)
Baziel zei tegen Hektor: " 'k Gon een uutstaptjie doen met de vrouwe. Me gon e ki gon kieken no dien tunnel in Calais".
Maar een uur later stond hij daar al terug.
Zei Baziel tegen Hektor: "Me woren der hoast, en ol mè de ki stond er dor e
groot plakkoot ip de boane: 'pas de calais'. Zo me zien ton mo weregekeerd hé".
Baziel (61)
Een Frans madammeke kwam op Baziel zijn hofstede.
"O que ça pue ici" riep ze.
En Baziel in zijn beste Frans: " Ca c'est niks madamtje, ce sont mes koei".
Baziel (62)
Soldaat Baziel liep zonder groeten een kapitein voorbij.
De woedende officier: "Moet gij niet groeten?"
Baziel: " 'k Hen d'ere nie van je te kennen Meneere"
"En dit dan?", brieste de kapitein, wijzend naar de drie sterren op zijn kraag.
Baziel: "Pardon meneere Martell, ik en haen 't nie gezien"
Baziel (63)
Baziel had een tweedehands motto gekocht.
Hektor zag hem stappen met de motto aan de hand en vroeg: "Got nie dè?"
"Zwieg" zei Baziel, " 't is lik mijn eerste lief, 'k liepen d'er ook meer
neffens of da'k d'er ip zaten".
Baziel (64)
Baziel kwam thuis: een gat in de nacht en met een stuk in zijn kraag.
Riep Zulma: "Van woor kom je gie zo loate?"
Baziel: "Van 't kerkhof".
Zulma: "Is 't er iemand dood?"
Baziel: "Ze zien dor ol dood".
Baziel (65)
Baziel kwam thuis: een gat in de nacht en met een stuk in zijn kraag.
Zonder sleutel, moest hij aanbellen.
Zulma riep van achter de deur: "Is 't gie, Baziel?"
En Baziel: "Hoe zoe dadde, kommen d'er hier nog andere ook dè?"
Baziel (66)
Baziel stond in het pissijn.
Zei hij tegen Hektor: "Hoe oekder da'k worden, hoe hoger da'k kunnen pissen".
Hektor: "Mo Baziel, 't is toch juust 't omgekeerde?"
Baziel: "Toetoet. Vroeger piste ge'k ip mijn schoên en nu pis ekik ol ip mijn
kniên".
Baziel (67)
Soldaat Baziel liep met een eend onder zijn arm door de kazerne.
Vroeg de adjudant: "Wat doe je met die eend daar?"
Baziel: " 'k Hèn ze gevoenden".
De adjudant: "Ja maar in de kazerne mag je dat beest niet houden.
Het beste ware dat je er mee naar de dierentuin gaat".
's Anderendaags liep hij weer rond met zijn eend.
De adjudant: "Ik had je toch gezegd dat je ermee naar de dierentuin moest gaan?"
Baziel: " Wel bedankt vo de goe road, adjudant.
Men d'er gister no toe gewist.
En vandage gom e ki tegore no de cinema".
Baziel (68)
Baziel in het postkantoor: "Madame 'k zoen willen een tember hèn. Eén van 17 frank.
En o je zoe willen de pries d'er van doen: 't is vor e kadootjie".
Baziel (69)
Baziel was grafdelver.
Als hij weer eens laat thuis kwam snauwde Zulma: "Je go me nie wies maken da je nu nog zo lote een doon moste begraven".
"Pertang", zie Baziel, " 't was dien chanteur da me begraven hen. D'er was
zoveel volk en z'en zo lange geklakt, da m'em wel tien keren en moeten were bovenholen".
Baziel (70)
Baziel werd veldwachter.
Op een dag moest hij aan een inwoonster gaan melden
dat haar man op een werf in Brussel verongelukt was. "En voorzichtig
aankondigen hé" zei de burgemeester.
Baziel vroeg: "Zie je gie de weduwe Van Slambroeck?"
Ze antwoordde: " Getrouwd en gesteld, ja, mo gin weduwe".
Baziel: "Vor hoevele gon me wedden?".
Baziel (71)
Baziel was veldwachter.
Op een dag moest hij aan een inwoonster gaan melden
dat haar man op straat was doodgereden. "En voorzichtig aankondigen
hé", zei de burgemeester.
Aan het huis gekomen, vroeg hij: "Is Juul thuus?"
"Neen " zei zijn vrouw, "j'is no den Bazaar om waspoejer".
"J'is van gedacht veranderd", zei Baziel, "j'is om zepe".
Baziel (72)
Baziel, weer met een stuk in zijn voeten, was aan de verkeerde kant de autoweg opgereden.
Plots hoorde hij over de radio: "Opgepast op de E-40, er is een spookrijder
gesignaleerd".
Waarop Baziel: "Waleere, één spookrijder. 'k Hen d'er ik ol wel hoenderd
gezien".
Baziel (73)
In de avondschool.
Baziel: "k Zoen hier willen chinees leren".
De direkteur: "Ha zo, en waarom?"
Baziel: "Ehwel, mèn miender e chinees
kiendtjie ingedoon en 't go nu verre een joor worden en me zoen toch
gèren verstoon wat dat 't zegt os 't begunt te klappen".
Baziel (74)
Baziel werd tewerk gestelde werkloze in een museum.
Bij het poetsen liet hij een vaas ontglippen die in duizend stukken viel.
"Mo Baziel toch" jammerde de direkteur, "een vaze die meer of duust joor oed is".
Baziel: " Och, 'k en een menuut chance. 'k Woren ol benauwd dat 't een nieuwen was".
Baziel (75)
In de trein.
Baziel, met een "zinder" op: "Madame, zoe je geloven da je gie 't lelijkste
vrouwmens ziet da'k ooit in mijn leven gezien hen?"
De madame: "Mijneere, je ziet een oenbeschofte kèrel, en dorbie, je zied
annozel droenke".
Baziel: " 'k Weten 't madamtjie, 'k weten 't, mo van mien hé, is da morgen
gedoon".
Baziel (76)
Baziel kwam nachtelijk en vrolijk naar huis.
Zulma: " En, 't was were een plezanten avond zeker?"
Baziel: "Toe nu toe wel joo't."
Baziel (77)
Baziel kwam bij Hektor en had een koppel blauw ogen.
"Hoe komt dat?" vroeg Hektor.
"'k Zaten in de kerke", zei Baziel, "en vor me stond er e madam en heur
rokstjie zat vaste tusschen heur billen en 'k en ter willen uutholen, en z'ee
me een blauw oge geslegen".
"En hoe kom je ton an twee blauwe ogen?" vroeg Hektor.
" Eh wè, omda ze zo dul was, èk da
willen goed maken en 'k hen dat rokstjie were tusschen heur billen
willen steken".
Baziel (78)
Baziel kreeg een briefkaart.
Zei de fakteur: "D'er staat niks op geschreven".
Zei Baziel: " 't Is van mijn broere nateurlik".
"Hoe kun je dat weten? " zei de facteur, "d'er staat toch niks op?"
Baziel: "Juuste dorom. Me spreken miender ol joren nie mè tegen molkoor."
Baziel (79)
Baziel en Hektor hadden twee bommen uit de eerste wereldoorlog gevonden.
"Me gon da no de gendarmes briengen", zei Hektor, "mo vorzichtig, want ziet dat er één ontploft".
Baziel: "Ehwel me gon ton zeggen da me mor één gevoenden hèn".
Baziel (80)
Baziel was parkwachter.
Vanuit de vijver hoorde hij plots roepen: "Help, help, ik kan niet zwemmen!".
Baziel: " Ehwel j'è gie chance, want je mag hier nie zwemmen".
Baziel (81)
Er was een toerist in de Dyver gevallen.
Hij riep "Au secours! Au secours!"
"Wa zegt 't ie?" vroeg Baziel.
"Je roept achter hulpe" zei Hektor.
Baziel: " A 't ie ook nie beter leren zwemmen in de platse van frans te leren?"
Baziel (82)
Op café vroeg Baziel aan een onbekende verbruiker:
"Meneere pardon, mo zie je gie soms gin Chinees?"
"Neen ik" zei de man.
Wat later: " Mo meneere, je zie gie toch een Chinees?"
"Maar neen" antwoordde de man.
Maar Baziel was blijkbaar niet overtuigd en stelde de vraag nog een paar maal.
De man kreeg het op de heupen en om van die lastige
kerel af te geraken, toen die weer op hem af kwam "Mo meneere zie je
gie echt geen Chinees?" antwoordde hij: "Ehwel ja, 'k moet het
bekennen, 'k ben een Chinees".
Waarop Baziel: "Ehwel meneere, je zoed het nie zeggen wèje".
Baziel (83)
Om drie uur 's nachts kwam hij thuis.
Zulma: "Legt da nu mor e kir uut, worom da je nu nor jen huus komt."
Baziel: " 'k En kosten wel nie anders, de café gienk toe".
Baziel (84)
"En", vroeg de generaal tegen soldaat Baziel: "Wat wil je worden in 't leger?"
Zei Baziel: "Ik willen generol worden".
De generaal: "Zijt ge zot?"
Baziel: "Is da nodig dorvoren?"
Baziel (85)
Baziel zat te vissen aan de waterkant.
Vroeg Hektor: "En? Bieten ze?"
Baziel: "Mo ba nee'se, je moe nie benauwd zien. Zet je mo bie".
Baziel (86)
Weende Zulma: " 't Is onze zilveren jubilee en je n'è niks gekocht".
Baziel: "Allé vrouwe, zeg het mo, wat è je te kope?"
Baziel (87)
De vader van Baziel lag op zijn sterfbed.
Vroeg Baziel: "è je wa nodig?"
"Ja", zei de vader, wijzend naar de hesp die tegen het plafond hing, "e
stikstjie van die hespe do".
Baziel: "Da gon nie goon, vodere, me sporen da vo de begravinge".
Baziel (88)
Langs de expressweg stopte een auto.
De chauffeur vroeg aan Baziel: "Hoe kom ik bij de Club?"
Baziel: "Ah meneere, mè vele te trainen hé".
Baziel (89)
Baziel was sergeant en moest het nieuws meedelen aan
soldaat Janssens dat diens vrouw overleden was. "Maar voorzichtig
hé" zei de adjudant.
Het peloton werd op een rij gezet en Baziel riep:
"Al die weduwnaar is, één stap vooruit. Soldaat Janssens acht dagen cachot."
Baziel (90)
Op de match Club-Anderlecht bleef er naast Baziel een plaats op de tribune vrij.
Vroeg een supporter: "Is je vrouwe nie mee dè?"
Baziel: "En nee's é, z'is dood".
En de andere "Vor zo'n match, hoe da je de koorte nie aan één van je familie
gegeven hèd".
"Da zoe nie holpen hèn", zei Baziel, "ze zien ollemolle no de begravienge".
Baziel (91)
Baziel: "Je ziet er zo triestig uut Hektor. Go't nie?"
Hektor: "'t Is deur me vrouwe é. Ze sprikt olsan mo van heur vroeger vint".
Baziel: "J'è gie nog chance. Zulma klapt olsan van heur volgende vint".
Baziel (92)
Baziel was moeizaam aan het klimmen op een openstaande slagboom.
"Wat doe je?" vroeg Hektor.
"Zie je da nie" zei Baziel, "die slagboom meten".
Hektor: "Worom leg je hem do voren nie plat?"
Baziel: "Gie dwozen, 't is de langte nie da ze moeten weten, 't is d'hoogte".
Baziel (93)
Baziel werd opgeroepen voor het leger.
In 't Klein Kasteeltje vroegen ze hem: "Wat verkies je, 't voetvolk of 't
paardevolk?"
Baziel: "Os het vo joender geliek is, stik me ton mo bie 't vrouvolk".
Baziel (94)
Baziel en Zulma kregen maar geen kindjes.
De dokter had hun al vaak uiteengezet hoe daarvoor moest worden tewerk gegaan, maar tevergeefs. Baziel begreep het niet.
Ten einde raad zei de dokter: "Allé Zulma, je kleren uit".
Hij deed hetzelfde en gaf aanschouwelijk onderricht.
"Heb je dat nu goed gezien Baziel?"
"Ja, meneere den dokteur".
"Ehwel, we gaan da nu alzo drie keren per week doen, Baziel. Goed verstaan?"
"Ja Menere den dokteur..En go je dorvoren nor huus komen, of moet 'k ze
briengen?"
Baziel (95)
De dokter zegde tot Baziel: "Als je zo verder drinkt, zul je nooit oud worden".
Antwoordde Baziel: "'k Gon ton mor beter voortdoen. 'k Bluuven ik liever joeng".
Baziel (96)
Baziel :"Je moet e ki peizen. Zulma bluuft toch zeker wel olle nachten ip toe
ten tweên, ten drieën. Dat is nie mè te doen".
Hektor: " En waarom doet ze dat?"
Baziel: "Ehwel, ze zit te wachten toe da 'k thuus kommen".
Baziel (97)
Baziel kwam het commissariaat binnen gelopen:
"Commissaris, stik me zere in 't cachot.
'k Hen e blompot ip Zulma heur kop kapot geslegen".
"Zo", zei de commissaris, "en is ze dood"?
Baziel: "Juuste nie. Ze zit achter me vo me te pakken".
Baziel (98)
Baziel werd ingeschreven als werkzoekende.
Vroeg de ambtenaar: "En wat is je beroep?"
Baziel: "Ik jagen ip everzwijns in Brugge".
De ambtenaar: "Maar er zijn toch geen everzwijns in Brugge!"
Baziel: "En worom peis je wel da'k moeten gon doppen?"
Baziel (99)
Hektor: "Ga je nie mee naar den Barbier van Sevilla?"
Baziel: " 'k Peinzen van nie, 'k scheiren ik mien met den elektriek".
Baziel (100)
Baziel ging de lingeriewinkel binnen.
Baziel: " 't Is vor een hemde".
De verkoper: " Eén zoals mijn hemd?"
Baziel: "Neen, een properen".
Baziel (101)
Hektor: "Ben je ziek Baziel?"
Baziel: "Worom?"
Hektor: "Wel omdat je buitenkomt van bij de apotheker".
Baziel: "En most ik van 't kerkhof kommen, zoe je ton peinzen da'k dood zien?"
Baziel (102)
Zegde Baziel tegen Zulma:
"Got e ki no de wienkel achter e pakstjie toebak vo me."
Zulma: "In zo'n weer zeker! Je zoudt er nog geen hoend deure jagen."
Baziel: " 'k Zeggen ik toch nie da je den hoend moe mee doen."
Baziel (103)
Vroeg Baziel: "Een stik zepe ost je blieft".
De verkoopster: "Moet dat toiletzeep zijn?".
Baziel: "Mo ba neen't, 't is vo m'n oonzichte".
Baziel (104)
Toen Baziel thuis kwam vroeg Zulma: "Hoeveel heb je d'er nu weer gedronken?"
Baziel: "Zulma, 'k gon ik ip café vor e pientje te drinken en nie vo te leren
tellen".
Baziel (105)
Zei Zulma aan Baziel: "Zou je geen werk zoeken?"
's Anderendaags kwam hij vrolijk thuis: "Zulma, 'k hen werk gevoenden.
En je mag morgen ol begunnen."
Baziel (106)
Baziel en Hektor stonden geprangd tussen veel andere reizigers achteraan op de bus.
Nam Baziel plots zijn glazen oog uit de holte, toste hem de lucht in, ving hem weer op en stak hem terug in de oogholte.
"Wat doe je daar nu?" vroeg Hektor.
Baziel: " E ki kieken os 't er dikkers ol voren geen platse is".
Baziel (107)
De pastoor zegde: "Elk moet zijn kruis dragen in het leven"
Baziel zuchtte: "En mien kruusse zit dor in de keuken".
Baziel (108)
Baziel: "Meneer den dokteur, 'k hen e probleem. 'k Vergeten olsan olles"
De dokter: "Zo, en sedert wanneer heb je dat probleem?"
Baziel: "Waffer probleem?"
Baziel (109)
Baziel kwam in de nacht zwaar aangeschoten thuis.
Voor het slapen gaan moest hij dagelijks zijn glazen oog uit de holte halen en in een reinigend glas water dompelen.
Met zijn zatte kop vergiste hij zich van oog en trok het goede uit.
Zei Baziel: "Nè, de plomb spriengt".
Baziel (110)
Baziel was soldaat in de grote oorlog.
Hij moest de lijken van het slagveld halen.
Terwijl hij ze op een kar aan het laden was, riep er daar één:
"Auw stop, ik ben ekkik niet dood".
Baziel: "Go je gie e ki zwiegen, ze zoen dat hier ollemolle kunnen zeggen".
Baziel (111)
Baziel kwam door het platgelegde Ieper gereden met zijn kar vol soldatenlijken.
Kwam daar plots Emerance hem achterna gelopen:
"Baziel d'er ligt dor bie mien een Duits liek te stienken. J'is ol acht dagen
dood. Pakt hem e ki zere mee".
Baziel: "Mor Emerance, je ziet toch da me karre vul ligt. 'k Gon hem ten nooste weke kommen hollen".
Emerance verleidde hem in haar keuken, schonk enkele borrels, tot Baziel
grootmoedig toegaf. "Kiek", zegde hij, "'k gon jen Duutschman mee doen en 'k gon een verschen ofleggen".
Baziel (112)
Baziel moest psychologische testen afleggen bij de Arbeidsbemiddeling.
De psycholoog toonde hem een plaat met driehoeken er op en vroeg waar dit Baziel aan deed denken. "An blote wuuven", zei Baziel.
Vervolgens een plaat met vierkantjes. "En dit?" " An blote wuuven", zei Baziel.
Daarna een plaat met cirkels: "En dit?" "Ook aan blote wuuven", zei Baziel.
"Maar Baziel", zei de psycholoog, "je bent seksueel geobsedeerd".
Baziel: "Ja 't go nog mien schuld zien, gie met ol je vuule tekeningsties".
Baziel (113)
Hektor vond Baziel op een bank in het park, met een briefje van 100 fr naast zich.
"En?", vroeg Hektor.
" 'k Hen gehoord", zei Baziel, "os je 100 fr ip den bank legt, wordt dat
zoender da je moe entwadde doen 105 fr."
Baziel (114)
Baziel zat aardappelen te schillen.
"Waar is Zulma?" vroeg Hektor.
"Z'is boven, go mor" antwoordde Baziel.
Een paar ogenblikken later stormde Hektor de trappen af: "Baziel, Zulma ligt do met een vrimde vint in heur bedde!".
Baziel: " 't Is best da je 't zegt, 'k gon nog rap e petatjie meer schellen".
Baziel (115)
Baziel was in proces met Dieudonné.
Aan zijn advocaat zegde hij: " 'k Hen do nog een schoon hespe, 'k gon da
bezorgen aan de juge, je got die ton wel vor ons zien".
"Als je dat doet Baziel" antwoordde de advocaat, "ben je op voorhand verloren.
Een rechter laat zich niet omkopen, hij zal je integendeel zwaar straffen".
De dag van het proces.
Zegde Baziel aan de ingang van het gerechtshof: "Meestere, van die hespe
gesproken, 'k hen da ton olgeliek no de juge gezonden".
Zegde de advocaat: "Ja, dan is het zelfs de moeite niet dat ik ga pleiten, we
zijn op voorhand verloren".
"Ja mor", antwoordde Baziel, " 'k hen d'er e visietekartjie bie gedoon van
Dieudonné".
Baziel (116)
Baziel was sergeant geworden.
Hij liet zijn peloton aanrukken en riep hen toe:
"Vor vandage hen ik e bitjie goe nieuws en e bitjie slicht nieuws.
Eerst het slicht nieuws: me gon vandage duust zakstjies mè zand vullen."
Gemor van de soldaten.
"En nu komt het goe nieuws: d'er is zand genoeg".
Baziel (117)
Baziel kwam bij de dokter.
Zegde die: "Ehwel Baziel, 't is lang geleden dat je op consultatie gekomen
bent".
Baziel: " 'k En kosten nie kommen meneer den dokteur, 'k hèn toch zo ziek
gewist".
Baziel (118)
De rechter: Beken je dat je Dieudonné bont en blauw geslagen hebt?
Baziel: "Da weet ekik nie, mijnhere de juge"
Rechter: "Hoe ge weet dat niet?"
Baziel: " 'k Zien ik kleurenblend".
Baziel (119)
Hektor zag Baziel met zijn autootje in achteruit de berg oprijden.
"Wat doe je daar?" vroeg hij.
Baziel: "Ze zeggen da je do boven nie veel platse
hèt vo te drooien en mè mien auto èk ik veel
platse nodig. Zo 'k gon vo olle zekerheid mor achteruut rien."
Een uur later was hij daar terug, de berg af, maar weer in achteruit.
Baziel: "Zè me were liggen hèt é. 't Was dor ol de platse van de weireld vo te
drooien".
Baziel (120)
Baziel zat met zijn kameraden in de kroeg en het beloofde druk te worden met het 'trakteren'.
Op een ongewoon vroeg uur zegde hij plots "Elk z'n goen avond".
De anderen: "Hoe, zie je ol weg?"
Baziel: "Bielange nie, mor 'k zeggen goen avond binst dat 'k joender nog
erkennnen".
Baziel (121)
Midden in de nacht een telefoon. Verkeerd nummer. De man excuseerde zich.
"Da gif nie", zei Baziel, " 'k mosten toch ipstoon vo den tilifon".
Baziel (122)
Jules was ver in de negentig.
Baziel vroeg hem: "Hoe doe je da vo zo oed te worden?"
Zegde Jules: " 'k En smoren nie, 'k en drienken nie en 'k en lopen nie achter
de vrouwen".
Baziel: "Mo Jules toch, worom moe je gie ton zo lange leven?"
Baziel (123)
Baziel ging eens naar de Tyrol.
Hij trok de bergen in, hoog en eenzaam.
Plots ontmoette hij een andere bergganger, die hem begroette: "Grüss Gott".
Antwoordde Baziel: "Hoe, zitten me ol zo hoge?"
Baziel (124)
Zulma en Baziel zaten naar een TV-uitzending te
kijken over de gevaren en de nare gevolgen van het overmatig drinken
van alcohol.
Toen de uitzending afgelopen was, stond Baziel
zenuwachtig recht, liep wat rond te morrelen en riep plots: " 't Is
gedoon dermee".
"Ah", vroeg Zulma vol blijdschap, "go je eindelik iphoeden van drienken?".
" 't Is da nie", antwoordde Baziel, " 't is dien televisie die go
buutenvliegen".
Baziel (125)
Een steenrijke man was overleden.
Bij het graf stond Baziel te huilen, te janken, met zijn kop te schudden.
De begrafenisondernemer vroeg: "Zijt gij van de familie?"
"E wè bah neen ik", zei Baziel, " 't is dorom da'k azo schreemen".
Baziel (126)
Tijdens de oorlog was er luchtalarm en waren ze op weg naar de schuilkelder.
Plots riep Zulma: " 'k Hen men volsche tanden vergeten".
Zegde Baziel: "Peis je gie misschien da ze gon koeken smieten?"
Baziel (127)
Zulma: "Baziel, doet e ki de venster toe, 't is buuten koed".
Baziel: "En os de veinster toe is, got het ton buuten warme worden misschien?"
Baziel (128)
Baziel tegen Hektor: "Me zien malkoor olle dagen,
sedert zovele joren en nog nooit è je ki gevraagd hoe dat 't was
mè me".
Zei Hektor: "Ehwel Baziel, hoe is 't mè je?"
"Och", zei Baziel, "sprikt er me nie van".
Baziel (129)
Baziel zag een pastoor met een 'col romain'.
"Wa wil da zeggen, zo'n averechtse col?' vroeg hij.
"Dit wil zeggen dat ik Vader ben" antwoordde de priester.
" 'k Zien ik ook voder", zei Baziel, "mo 'k dragen ik mien kol nie averechts."
"Ja maar", lachte de pastoor, "ik ben Vader van duizenden".
Zei Baziel: "Zoe je ton nie beter je broek averechts andoen?"
Baziel (130)
Baziel had zich gevestigd als groothandelaar en had een grote frigowagen
gekocht.
Hektor kwam een kijkje nemen.
Al wat hij zag in die grote koelcontainer, was één enkele banaan.
Zei hij tegen Baziel: "Peis je gie da je dormee go rieke worde?"
"Ba ja'k" antwoordde Baziel. "Ik hen e nichtjie, ze verkopt zie mor één pruume met e ki, en z'eet ol drie huuzen".
Baziel (131)
Buurvrouw Eufrasie had een kind gekocht.
Zegde Baziel: " 't Is zeker e joengentjie?
"Neen", zei ze, " 't is e meistjie".
" 'k Woren d'er toch nie verre van hé", zei Baziel.
Baziel (132)
Baziel bestelde meteen zeven pinten in zijn
stamkroeg en dronk die uit. Daarna bestelde hij zes pinten en dronk die
al even vlug uit. Daarna bestelde hij vijf pinten en dronk die snel
uit. Daarna bestelde hij vier pinten..enz.
Plots zei hij tegen Hektor: " 't Is toch rare hé, hoe minder pienten dè'k
drienken, oe meer da'k droenke worden.
Baziel (133)
Baziel kwam bij de apotheker.
" 't Is voor een termometer", zei hij, "mo vor da j'hem in e pakstjie stikt,
zoe j'em willen ip veertig groden zetten?"
Baziel (134)
Baziel kwam juichend het café binnen: "Zulma heet een zeune gekocht" riep hij.
"Ip wien geliekt hie?" wou Hektor weten.
" 'k Weten 't nie", zei Baziel, " 'k hen nog nie no z'n oonzichte gekeken".
Baziel (135)
Baziel kwam bij de commissaris. "Zoe je do niet
kunnen an doen", vroeg hij, "Zulma smiet olsan mo taljoren no me kop.
Dat is nu azo ol tien joor an de gang".
Vroeg de commissaris: "Tien jaar, en kom je dat nu pas melden?"
Zei Baziel: "Jamo, z'eet den latsten tied goed leren mikken".
Baziel (136)
Zulma kwam van de dokter. " 'k Zien overspannen zegt den dokteur en 'k zoen e ki moeten ip reize goon. No woor zoek gon Baziel?"
Antwoordde Baziel: "Nor een anderen dokteur".
Baziel (136)
Baziel was kelner.
Een klant vroeg: "een tandenstoker a.u.b."
Zei Baziel: " Da gon nie goon, ze zitten vo de moment in de wasmachine".
Baziel (137)
Op een dag had Hektor een stok in het meer gegooid
en zijn hond bevolen hem terug te halen. Tot zijn niet geringe
verbazing zwom de hond niet naar de stok maar liep gewoon over het
water. Een mirakuleuze hond, lopend over het water!
Dat moest hij aan Baziel tonen.
Dus samen op wandel naar het water. Opnieuw gooide
Hektor een stok en opnieuw ging de hond hem terughalen, lopend over het
water.
Baziel keek toe, maar gaf geen teken van verbazing en vroeg niets.
Nog een paar maal het mirakel herhaald en dan weer naar het dorp.
Onderweg vroeg Hektor: "Baziel, heb je soms niks speciaals gezien aan m'n hond?"
"Nateurlik èk entwa speciol gezien", antwoordde Baziel.
"Ha, en wat heb je gezien?" vroeg Hektor.
Antwoordde Baziel: "Dat ie nie kan zwemmen j'n hoend".
Baziel (138)
Baziel had een slippertje gewaagd met Eufrasie en er was een kindje van gekomen.
Ze trok naar de vrederechter.
"Baziel", zei de rechter, "zegt een keer rechtuit, is dat kind van u?"
"Ehwel, mijnheer de juge", zei Baziel, " 'k moeten bekennen da 't van mien is".
"Dat is heel eerlijk van u", zei de rechter, "we kunnen nu over de betaling
spreken".
"Jamo", zei Baziel, " 'k moeten ik do niet voren hèn, 't was geiren gedoon en
ze mag oltied nog e ki were kommen".
Baziel (139)
Hektor zag Baziel over het land lopen met een kogelvrij vest.
"Worom hè je da nu an", vroeg hij, " 't is toch gin oorlog?"
"Nee 't", zei Baziel, "mo 't is omda binnenkort de petatten gon begunnen te
schieten".
Baziel (140)
Op de Arbeidsbemiddeling, vroeg een aanminnelijke jonge inspectrice aan Baziel:
"Mijnheer mag ik uw naam en adres?"
Baziel (blozend): " 'k Zoen wel willen, mo 'k en durven nie madamtjie, moste Zulma da te weten kommen."
Baziel (141)
Zijn hond was al verschillende dagen spoorloos en Baziel was er erg triestig
over.
Zei Hektor: " Moest ik van joen zien, 'k zoen een annonce in de gazette zetten".
" Da's gin avance", zei Baziel, "da beestjie kan tie toch nie lezen".
Baziel (142)
Voor het eerst zag Baziel een feestelijke bruiloftstoet met een bruid in het
wit.
"Worom is ze zie in 't wit?" vroeg hij aan Hektor.
Zei die: "Dat is om heur geluk en contentement te togen".
"En", vroeg Baziel, "worom is die vint ton in 't zwart?"
Baziel (143)
Baziel had een been gebroken.
Vroeg Hektor: "Hoe heb je da gedaan?"
Zei Baziel: " 'k Woren an 't wandelen en 'k zien uutgeslierd over een slekke".
"Had je ze nie gezien?", vroeg Hektor.
" 'k En kosten ze nie zien", antwoordde Baziel, "ze kwam van achter mien
aangezet".
Baziel (144)
Baziel was kelner.
Bracht hij daar een biefstuk naar de klant, met zijn duim stevig in het vlees
geplant.
De klant: "Zie je nie da jen duim in da vlees zit?"
" 'k Zoen olgeliek nie willen dat ie nog e ki ip de groend volt", antwoordde
Baziel.
Baziel (145)
Baziel kwam weer een gat in de nacht thuis.
Zei hij tegen Zulma: "Ieder ki dat er e kalant
weggieng begosten d'andere kwood te klappen over zien vrouwe. 'k Zoen
nie willen da ze van joen kwood klappen Zulma, zo 'k zien gebleven toe
den latsten".
Baziel (146)
Zulma mocht meespelen in de parochiezaal. Ze kwam
thuis met het nieuws dat ze in het tafereel zou optreden van 'Eva met
het serpent'.
Vroeg Baziel: "En wie got er Eva spelen?"
Baziel (147)
Met zijn zatte kop stootte Baziel de aquarium omver,
en daar lag het goudvisje te spartelen en met open mond naar lucht te
happen.
Vroeg Baziel: "Wat is dadde? Zoed het durven bieten dè no je boozetjie?"
Baziel (148)
Hektor zei: "Mien vrouwe, dat is een ingele".
"J'è gie chance", antwoordde Baziel, "de miene leef nog".
Baziel (149)
Baziel werd voor overdreven snelheid bekeurd.
"Naam?" vroeg de agent.
"Baziel, zoender M", zei Baziel.
"Wat is da nu", zei de agent, "in Baziel is 't er toch gin M?"
" Ewel 't is toch 't geen dè 'k zeggen" antwoordde Baziel.
Baziel (150)
Baziel had een nieuw hondje. 't Was er eentje zonder pootjes.
Vroeg Hektor: "En hoe is zijn name?"
Zei Baziel: "Vo wa zoed da beestjie moeten een name hèn? Ok het zoen roepen, zoedet toch nie kunnen kommen."
Baziel (151)
Baziel was met Hektor op safari getrokken.
Stonden ze daar plots oog in oog met een leeuw die
vervaarlijk naderde. Om wat tijd te winnen, gooide Hektor hem een greep
zand in de ogen, zette het op een lopen en vluchtte een boom in.
"Allé Baziel", riep hij "kruup zere in een boom, want j'is do".
"Worom zoe kik weglopen?" antwoordde Baziel, " 'k en hen ik gin zand in z'n ogen gesmeten".
Baziel (152)
Toen Hektor op het erf kwam, was Baziel net zijn vest aan het opvissen, die in de beerput gevallen was.
"Eètjie", zei Hektor, "je go die veste toch nie mèr andoen zeker?"
"Nee'k", zei Baziel, "mo 't is nie vo die veste, 't is vo me boeterhammetjies
die d'er in zitten".
Baziel (153)
Baziel ging een broek kopen.
Hij vond ze allemaal te duur, tot de verkoper hem een spotgoedkope broek
voorstelde, weliswaar met een gebrek: de rits zat op de achterkant.
"Da gif nie", zei Baziel, " os 'k moeten pissen, drooi ek me toch oltied omme".
Baziel (154)
Baziel en Hektor gingen eens naar Kadzand en kwamen voor de omheining van het nudistenkamp.
Baziel ging op de schouders van Hektor staan om over de muur te gluren.
"Wa zien't ", vroeg Hektor, "mannen of vrouwen?".
" 'k En kannen 't nie zien", antwoordde Baziel, " z'en hèn gin kleren an".
Baziel (155)
Zulma was zwaar ziek en moest berecht worden.
Vroeg de pastoor: "Baziel heb je geen kaars, een beetje wijwater en een palm?"
"Een keirsse en wiewoter hemme", antwoordde Baziel, "mo gin Palm. Is e Jupiler ook goed?"
Baziel (156)
Baziel had een kruidenierswinkeltje geopend,
rechtover de Bazar. Hij hing een groot plakkaat voor het venster: "Hier
boereboter voor 200 fr". De Bazar, die de boereboter aan 250 fr
verkocht, zakte onmiddellijk de prijs naar 150 fr.
Baziel direkt naar 100 fr. De Bazar naar 75 fr. Baziel naar 50 fr. Toen de
prijs naar 20 fr gezakt was, vond de directeur het welletjes en kwam met Baziel onderhandelen.
"Als we zo tegen mekaar afbieden, zijn we binnenkort allebei failliet" betoogde hij.
"Gie wel, mor ik nie" zei Baziel.
"Ah zo en waarom niet?" vroeg de directeur.
"'k En verkopen ik gin boerebeuter" antwoordde Baziel.
Baziel (157)
Hector vond Baziel in alle staten, tranen wenend met tuiten.
" 't Is me voder die dood is" zei hij.
Er werd getelefoneerd en na het gesprek kwam Baziel nog heviger wenend binnen.
"Een oengeluk komt toch nooit ollene", zei hij,
" 't Was men broere die belde, z'n voder is ook dood".
Baziel (158)
Den ouden auto van Baziel deed het niet meer. Hij had 235.000 km gereden. Hij wou hem verkopen, maar niemand die hem wilde.
"Wit je wadde", zei Hector, "doet die twee weg van de conteur, je go ton wel
kopers hèn".
Een week later zag Hector dat Baziel nog altijd met zijn karretje reed.
"Nog oltied gin amateurs?" vroeg hij.
Zei Baziel: "Peis je gie misschien da kik men otto gon verkopen, j'en é nog mo 35.000 km".
Baziel (159)
Boer Baziel kwam eens naar de stad, met paard en kar.
Toen hij voorbij de Bazaar kwam, dacht hij
verwonderd: "Dat is hier wel e grote doeninge. 'k Zoen da wel e kir ol
binnen willen zien".
Hij reed zijn kar op de parking, begaf zich naar het gebouw, deed voorzichtig de deur open en riep: "Is 't er iemand?".
Baziel (160)
Baziel had een kleinen ingedaan bij Zulma. Het was helaas een uiterst
gehandikapt kind. Al wat er ter wereld was gekomen was een oortje.
Hektor kwam kijken, schrok zich een bult, maar wou toch niets laten merken.
Hij boog zich over het wiegje en zei: "dag kienetjie, dag kienetjie".
"Je moe gin moeite doen", zei Baziel, " 't is pottedooft".
Baziel (161)
Baziel en Hektor hadden na veel discussie besloten om Frans te leren.
Thuis en met een Assimilboekje.
Plots wees Baziel naar iets op het plafond en zei: "le mouche"
"Mis", antwoordde Hektor, " 't is la mouche".
Zei Baziel: "Ehwel joen ogen zien nog wel goed wèje".
Baziel (162)
Op het erf van boer Baziel streek plots een legertje landmeters en technici
neer.
"We komen de metingen doen voor een nieuwe
spoorweglijn", kondigden ze aan, "en die zal hier recht door uw
boerderij en midden uw huis lopen".
"Ah neen hé" zei Baziel, "Je peis giender
toch nie zeker da'k ik do tied voren èn om vor ieder trein ieder
ki mien deure open en toe te doen?".
Baziel (163)
Op het erf van boer Baziel streken onaangekondigd landmeters en technici neer.
"We komen metingen doen voor een nieuwe spoorlijn", deelden ze mee, "en die zal recht door die grote schuur daar lopen".
"Da go nie goon peis ik", zei Baziel, "dat is nu ol joren dè'k de poorte van
die scheure nie open kriegen. Den trein got to nooit binnen geraken".
Baziel (164)
Zegde Zulma: "Baziel, me zien vuuf en twientig joor getrouwd. Doe gie mor e ki die kollekoene dood".
"Héla", antwoordde Baziel, "do kunt die orme beeste toch niet an doen".
Baziel (165)
Toen Zulma stierf, ging Baziel naar de kistenmaker
om de prijs van een kist te vragen. "Kijk eens wat een mooie kist ik
hier heb", zei de man: "In volle eik, koperen kruis en handvaten,
dubbel gecapitonneerd en met een mooie bekleding in natuurzijde: soie
naturelle".
"Ze zeggen da wel", zei Baziel, "soie naturelle"
(ondertussen even zijn armen op en neer bewegend), "toe dè je e
kir azo doet mè j'en orems".
Baziel (166)
Op 't stadhuis moest Baziel papieren invullen.
In de kolom "geboren" schreef hij: "Ja".
In de kolom "geslacht": "enorm".
Baziel (167)
Teruggekeerd van een dagje aan zee, zei Baziel tegen Hektor:
" 't Is stille in huus, Zulma heet een zunneslag gekregen".
"Ja wadde", zei Hektor, "en is 't ip heur rik of ip heur buuk?"
" 't Is ip heur toenge" zei Baziel.
Baziel (168)
Baziel kwam uren te laat en zat thuis.
Zulma was zo kwaad dat ze de klaargemaakte biefstuk met frieten door het raam naar buiten gooide.
Direct greep Baziel de frietpot, de borden en het
eetgerei en wierp alles naar buiten. "Nè", zei hij, "azo kunnen
me in den hof eten".
Baziel (169)
De filosoferende Hektor vroeg aan Baziel: "Worom leggen de kiekens eigentlijk eiers?"
"Ehwel", zei Baziel, "dèsse ze mosten smieten, ze zoen ollemolle kapot zien".
Baziel (170)
Baziel was op een feestje gevraagd. Hij had er zich stierlijk verveeld.
Bij het weggaan zegde hij tot de gastvrouw:
" 'k Hen een vree aangenamen avond deurgebrocht.., passeerde weke zoterdag".
Baziel (171)
In het museum stond een heel grote vaas met als onderschrift:
"de asse van koningin Waldetrudis".
"Wel, wel", zei Baziel, "da mens moet indelijk vele gesmoord hèn".
Baziel (172)
Baziel moest naar Brussel bellen.
Aan de andere kant zei de telefoniste: "J'écoute".
"Ik ook", antwoordde Baziel, " 'k hen zelfs stief koed".
Baziel (173)
Hektor had 1000 fr uitgeleend aan Baziel.
"Héwel Baziel" vroeg hij de week daarop, "j'a gezeid da je da geld nie lange
nodig hadde?"
" En 't was woor ook", antwoordde Baziel, "een eure loter wore'k olles ol
kwiet".
Baziel (174)
Baziel had een hometrainer gekocht.
Zag Hektor hem daar roerloos op zitten.
'Héwel Baziel", vroeg Hektor, "moe je gie nie steken dè?"
"Neen ik", antwoordde Baziel, " 'k rien bergof".
Baziel (175)
"Mijn huwelijk is mislukt", zei Filemon, "mijn vrouwe is weggelopen".
" 't Miene ook", antwoordde Baziel, "mien wuuf is gebleven".
Baziel (176)
Baziel aan het loket: " 't Is vor e tiket no Brussel vo mijn vrouwe."
Vroeg de loketman: "Eerste of tweede?".
Baziel: " 't Is nog oltied mijn eerste, mo eigentlijk go da joen toch nie an?"
Baziel (177)
Baziel liep zwaar beschonken op straat.
Hij zag daar een man in uniform en klampte hem aan:
"Butensmieter", vroeg hij, "zoe je nie kunnen een taxi bellen vo me, 'k en
geraken nie mè voruut".
De man antwoordde: "Hola man, zie je niet met wie je te doen hebt? Ik ben een admiraal van de marine".
"Een duukboot is ook goed" zei Baziel.
Baziel (178)
Baziel was kelner.
Zegde een klant: "Ober, mijn glas is gesprongen".
Baziel: "Da komt ervan os je zo sterk bier wilt drienken".
Baziel (179)
Terwijl Baziel op de "travaux" in Brussel werkte, kreeg hij een telegram:
"Schoonmoeder overleden. Wat te doen: verbranden, balsemen of begraven?"
Hij antwoordde langs zelfde weg: "Geen risico's. Alle drie".
Baziel (180)
Baziel was kelner.
De klant riep: "Wat doet die vlieg hier in mijn soep?"
"Ze zwemt ip heur rik" antwoordde Baziel.
Baziel (181)
Baziel was soldaat geworden, maar het stak hem vreselijk tegen.
Op een dag kwam hij bij de adjudant en sprak:
" 't Is vo m'n ontslag te geven. 'k Hèn 'n kanon gekocht en 'k gon ip m’n eigen begunnen".
Baziel (182)
Baziel zat op een verboden plaats te vissen.
Betrapt door de veldwachter was zijn verdediging: " 'k Zitten ik hier niet te
visschen.
'k Zien ik juuste mo die worme an 't leren zwemmen".
Baziel (183)
Zei de dokter: "Baziel, gij hebt gij zeker dikwijls dorst?"
"Ba neen 'k meneere den dokteur", antwoordde hij, " 'k en loaten ik dat nooit zo verre kommen".
Baziel (184)
In de Arbeidsbemiddeling moest Baziel weer al eens een formulier invullen.
Er stond een vraag: "Werkt uw echtgenote, zo ja: waar".
Schreef Baziel: "Ja, op mijn zenuwen".
Baziel (185)
Vroeg Hektor: "Gezond en sterk zoals ge zijt, hoe komt dat eigenlijk dat ge
nooit geen werk vindt?"
"Omdat kik vo 't geluk geboren zien" antwoordde Baziel.
Baziel (186)
Zei Zulma: "Ik spreken rechtuut. Ik en hebbe gin twi oonzichten".
" 't Is mo best" antwoordde Baziel, " 't is ol genoeg met zo ééne".
Baziel (187)
De dokter had hem onderzocht. "Baziel" zei hij, "je hebt kalk in de aders,
water in de knieën en stenen in de nieren".
"Oie oei oei, meneer den dokteur", vroeg Baziel, " 'k gon ik zeker moeten een bouwvergunnienge aanvragen?"
Baziel (188)
Er kwam een groep marathonlopers voorbij.
"Wa doen die mannen dor in hunder oendergoed?" vroeg Baziel.
"Ze lopen de marathon en den eersten hé pries" antwoordde Hektor.
"En worom lopen ol die andere ton nog mee?" vroeg Baziel.
Baziel (189)
Baziel was kelner.
Vroeg een klant: "Ik zou graag eens goed eten. Wat kun je me aanraden?"
"Wel", zei Baziel, "hier rechtover is 't er e hele goe restaurant".
Baziel (190)
Op een bank bij het kerkhof zat een stokoud ventje.
"Hoe oed zie je gie?" voeg Baziel.
"Acht en negentig" antwoordde het ventje.
"Ja", zei Baziel, " 'k verstoon 't da je hier bluuf zitten. 't Is de moeite nie
mè van nog nor huus te goon".
Baziel (191)
"Wit" vroeg Baziel aan Hektor, "is dad e kleur?"
"Nateurlik" zei Hektor.
"En zwart is dad ook e kleur?" vroeg Baziel.
"Van z'n eigens" antwoordde Hektor.
Zei Baziel: "Zie je wèl Zulma da me miender e kleurentelevisie èn".
Baziel (192)
Baziel werd klaroenblazer in 't leger. Hij deed het
zo goed dat de kolonel hem riep om hem te feliciteren. "Baziel
Spanoghe", vroeg hij "ben je soms familie van de generaal Spanoghe?"
"Ja 'k", antwoordde Baziel, "dat is mien broere".
"Hoe zo", vroeg de kolonel, "uw broer generaal en gij simpele klaroenblazer?"
"Wa wil je", antwoordde Baziel, "je kan tie gin note muziek".
Baziel (193)
Toen hij aan dakwerken bezig was, rammelde Baziel van drie hoog naar beneden en viel te pletter op de straatkeien.
Veel volk direkt samengetroept natuurlijk.
Kwam er daar een agent en Baziel in het midden van de samenscholing bemerkend vroeg hij: "Wat is 't er hier gaande?"
"Da'k het ook nie weten", stamelde Baziel, " 'k zien hier nog mo juuste
angekommen".
Baziel (194)
Zulma had een tweeling gekocht. Ging Baziel de aangifte doen.
Vroeg de ambtenaar: "geslacht?"
" 't Ene is e joengentjie en 't andere is e meistjie ", antwoordde Baziel, "mo
'k en zien 't toch lik nie helegans zeker, 't zoed ook 't controrie kunnen
zien".
Baziel (195)
Om bij de vuilnisdienst te worden aangeworven, moest Baziel aan een "examen" meedoen.
"Kun je tellen tot tien?" vroeg men hem.
Hij antwoordde: "Een, twee, drie, viere, vuuve, zesse, zevene, achte, negene,
tiene".
"Uitstekend" zei de examinator, "en kun je nog verder tellen ook?"
"Ja 'k" antwoordde Baziel, "de zot, de vrouwe en den here".
Baziel (196)
In den oorlog, vanuit een loopgracht riep soldaat
Baziel naar zijn sergeant in een andere loopgracht: " 'k Hen hier twee
Duutschmans gepakt".
"Breng ze maar naar hier" riep de sergeant terug.
" 't Go nie goon", riep Baziel, " z'hoeden me vaste".
Baziel (197)
In het leger werd Baziel opgeleid tot parachutist.
De instructies waren duidelijk: springen uit het vliegtuig, trekken aan het
eerste koordje, als er niets gebeurde trekken aan
het tweede koordje, neerdalen op het oefenplein en aldaar aangekomen de
klaar staande fiets bestijgen en zo snel mogelijk terug naar het
instructielokaal fietsen.
Nadat hij uit het vliegtuig gesprongen was, trok Baziel aan het eerste koordje: geen gevolg.
Toen trok hij aan het tweede koordje: geen enkel
gevolg. " ’t Is were e ki 't leger", dacht Baziel nog, " 'k
durven wedden da die velo do nie go
greed stoon ook nie".
Baziel (198)
Toen Zulma op sterven lag stamelde ze nog: "Baziel, je moe gie nie ollene
achterbluuven. Je mag gie hertrouwen. Je moe me
juuste mor één diengen beloven, da de nieuwe mien kleren
nie got ofdragen".
"Je moe nie benouwd zien Zulma", antwoordde hij, " z'is zie e kop grotter of
gie".
Baziel (199)
Hektor nam een biertje uit de koelkast bij Baziel.
"Wat is da" vroeg hij, " d'er stoon hier lege flasschen in de frigo".
"Ja", zei Baziel, "dat is vor ost er volk komt die gin dust hèd".
Baziel (200)
Na Tchernobyl bestelde Baziel twee radioactieve saladekroppen bij de
groentenboer.
"En worom radioactief?" vroeg die.
" 'k Gon da tegen m'n plafond hangen", antwoordde Baziel, "azo spore 'k ip den dieren eliktriek".
Baziel (201)
Als werkloze werd Baziel opgevorderd door de vakbond
om deel te nemen aan een betoging voor werk. Hij mocht vooraan lopen
met een spandoek en moest roepen: "wij ei-sen werk".
Plots kwam een ondernemer op hem af die zegde: "Gij ziet er een gezonde uit. Morgen mag je bij mij aan de slag".
" 't Is toch erg hé" zei Baziel, "d'er lopen d'er hier duuzende roend, en 't is
toch wel were ik die 't slachtoffer zien zeker".
Baziel (202)
Op de markt begon Baziel me daar plots een vrouw uit te schelden die hij om een of andere reden niet kon uitstaan.
"Gij onbeschofte kerel" riposteerde ze, "schelden, zo stout en zo bot.
Hebt gij dat misschien op school geleerd?".
"Vrouwmens", antwoordde Baziel, "je kunt da nie leren. Jè dadde of jè da nie.
Da's een gave".
Baziel (203)
"Wat doe je do nu?", vroeg Hektor.
"Ik planten vlaggetjies vo de giraffen weg te jagen", antwoordde Baziel.
"Mor Baziel toch" replikeerde Hektor, " d'er zien hier gin giraffen".
" Je zie wel dat 't werkt hé" zei Baziel.
Baziel (204)
Baziel was kelner.
"Er zit hier een grijs haar in de wijn" riep een kwade klant.
"Wat zeg je", antwoordde Baziel, " 'k en wisten niet dat die wien ol zo oed
was".
Baziel (205)
"Ben je daar weeral?" vroeg de rechter, "en deze keer zelfs zonder advocaat."
"Meneer de juge" antwoordde Baziel, " 'k gon van die ki de woorheid zeggen".
Baziel (206)
Baziel in 't leger, moest als boerezoon werken in de keuken.
Den adjudant van de ménage kwam zijn beklag
maken: "Je hebt daar zogezegde eendepaté voor de mess van de
officieren gemaakt, en er stak daar niets van eend in", zei hij streng.
"En ton", zei Baziel, "in soldotekoeken zitten d'er toch ook gin soldoten?"
Baziel (207)
Vroeg Hektor: "Wa zeg je gie tegen Zulma os je zo lote thuus komt?"
" 'k Zeggen ik juuste mo goênavend", antwoordde Baziel, "en ze zeg zie de
reste".
Baziel (208)
Philemon zegde tegen Baziel: "Flavie en ik maken nooit ruzie os de kienders d'er bie zien".
Zei Baziel: "Nu versto 'k het worom da je joengers oltied ip strote spelen".
Baziel (209)
Toen hij weer eens een gat in de nacht thuis kwam,
riep Zulma in een Franse koleire: "In de platse van mè joen, 'k
adde nog beter met den duvel getrouwd".
"Dat is nie meugelik", antwoordde Baziel, "broer en zustere meugen nie trouwen".
Baziel (210)
Soldaat Baziel liep zorgeloos door de kazerne, de officier voorbij.
Riep die plots: "Weet gij niet wie dat ik ben?"
"Kom e ki kieken", riep Baziel naar Hektor, " d'er is hier enen die nie mè wit wien dat ie is".
Baziel (211)
Baziel hield een wasserij open.
Kwam daar een fors gebouwde dame haar was brengen.
Haalde Baziel er haar bh's uit en gaf ze terug:
" 't Spiet me wel madamtjie" zegde hij, "mo m'n kusschen hier gin tenten".
Baziel (212)
Zegde Hektor: "Mè de voruutgang, da go nie
lange mè deuren of me gon mor één dag te weke
mè moeten werken".
Antwoordde Baziel: "Mo da go ton toch nie vo heel den dag zien zeker?"
Baziel (213)
De vrederechter: "Baziel, ge zijt opgeroepen voor een vechtpartij".
Baziel: "Da's vriendelik da je ip mien gepeisd hèt meneere de juge, en wien is 't dè'k moeten in molekoor sloon?"
Baziel (214)
"Os 'k dood zien", zegde Baziel, "wil ekik verbrand worden.
Dat is proper en rap, 't en doe gin zeer, en os de wiend e bitje mee zit, zie je nog eerder were thuus dan de familie".
Baziel (215)
" 'k Gon ik in den boek van de records stoon, Hektor" zei Baziel fier.
"En hoe kom het?" vroeg Hektor.
"Eh wè 'k en ik een puzzel in molkoor gestoken in zes moonden tied".
"En is da zo speciol?" vroeg Hektor.
" 'k Geloven nog e bitje", zei Baziel, " kiek, 't stoot ip de doze: van 3 tot 6
jaar".
Baziel (216)
't Was de verjaardag van Zulma en Baziel trok naar de bloemenwinkel die een opschrift droeg: "zeg het met bloemen".
" 't Is vo Zulma heur verjoordag", zei hij, "Gif tor e kir één roze".
"Da's ook wel niet vele" zei de bloemist.
" 'k Zien ik een mens van winnig woorden" antwoordde Baziel.
Baziel (217)
Baziel kwam bij de garagist: " 't Is vor e pulletjie antigel vo tegen dat 't
vriest".
Zegde de garagist: "Mor ol da mien dienkt heb je gie toch gin auto?"
" 't Is vo gin auto", antwoordde Baziel, " 't is omdat 'k 't woter èn in m'n
knieên".
Baziel (218)
Hektor: "Ehwel Baziel, je drinkt zo weinig? Smaken ze nie?"
Antwoordde Baziel: " 'k Kwamen gister met een zwore
zinder thuus, en 'k zagen Zulma do twee keren stoon. 'k Zoen da nie
mè willen tegen kommen".
Baziel (219)
Baziel was kelner.
Kwam hij daar de soep opdienen met twee van zijn vingers helemaal onder de soep.
"Hélà", riep de klant "zie je da nie? Je viengers liggen in de soepe".
" 'k Weten meneere", antwoordde Baziel, " 'k hen ik
kloven in mijn handen en den dokteur é gezeid danne'k ze moeten
warm hoeden".
Baziel (220)
Al wandelend vond Hektor een spiegel op de grond. Hij raapte hem op en keek er in. " 'k Kennen ik lik die mens" zei hij.
Baziel nam de spiegel over, keek er ook in en zei: "En nateurlik da j'hem kent. 't Is ekik".
Baziel (221)
Baziel moest naar 't onderzoek in de kliniek.
't Verpleegstertje zei: "Doet hier maar al uw kleren uit"
Antwoordde Baziel: " Doe gie mor eerst ieffrouwtjie, 'k zien ik e bitjie
beschaamd".
Baziel (222)
"Zulma ligt in 't hospitol" vertelde Baziel aan Hektor, " z'is heel heur boel
uuthoold".
"Z'is ton azo vele kwiet" zegde Hektor.
"Bah da go nog," zei Baziel, "me kriegen 't ol were van de ziekenbond".
Baziel (223)
"Dad is rare hé", zegde Hektor "os me vrouwe
mien 's avonds entwa zegt, ze mag het nog zo in 't lang en in 't breed
uutleggen, 's anderdaags zien ekik dad ieder ki were vergeten. Zoet dad
e ziekte zien?"
"Mo ba nee 't", zei Baziel, "dad is e gave Gods".
Baziel (224)
Met zijn zatte kop en met een verkeerde beweging
brak Baziel het glasvenster in de voordeur. "Oei" zegde hij, en deed de
deur open.
Eénmaal binnen en de deur achter zich dicht, keek hij naar de aangerichte
schade en mompelde: "Oei, oei, 't is ton nog ol weerskanten gebroken".
Baziel (225)
Baziel kwam bij zijn advocaat: "meester 'k zoen willen scheën van Zulma".
"Zo" zegde de advocaat, "welke gronden zullen we hiervoor inroepen? Is het een slechte kokin?"
"Ah neen" zegde Baziel, "van 't eten mag 'k nie klagen".
"Is ze een slechte huisvrouw?"
"Olleszins nie" antwoordde Baziel, "z'ée zie e bitjie de kuuschziekte en 't is
oltied ollemale stief proper".
"Is ze dan niet goed in bed?" vroeg de advocaat.
"Ja da weet 'k ik nie" antwoordde Baziel, "d'er zien d'er die zeggen van ja en
d'er zien d'er die zeggen van neen".
Baziel (226)
Baziel was kelner
Riep een boze klant "Bezie dat hier nu eens, er ligt hier toch zeker wel een
hoorapparaat in mijn soep".
Antwoordde Baziel: "Wa zeg je meneere?"
Baziel (227)
Baziel werd in het jaar 2000 honderd jaar.
Een joernalist vroeg hem : "Waaraan schrijft ge het toe dat ge dit jaar honderd jaar geworden zijt?"
Antwoordde Baziel: "Hoofdzakelijk an 't feit da 'k in 't joor negentienhoenderd geboren zien".
Baziel (228)
Terwijl Baziel en Hektor op stap waren, begon het te regenen.
"Doet e ki je paraplu open" vroeg Hektor.
"Dat is geen avance", zei Baziel, "j'is tie vul mè goaten".
"En worom heb je hem ton mee gebrocht?" vroeg Hektor.
Baziel: " 'k Hen haên eigentlik nie gepeisd dat het gienk regenen".
Baziel (229)
Baziel: "M'n broere Korel is dood".
Vroeg Hektor: "En wien was 't er zijn dokteur?"
"Niemand", antwoordde Baziel, "j'is tie een nateurlike dood gestorven".
Baziel (230)
Op het postkantoor.
Baziel: " 't Is vor een tember van zeventien frank".
De bediende: "Als 't u belieft Mijnheer".
En Baziel: "Hoeveel is m'n schuld?"
Baziel (231)
Baziel lag lelijk toegetakeld in de kliniek.
Hektor ging hem bezoeken. "Hoe zie je gie hier verzeild? 't En is nog mor
gister da'k je in vulle forme mè da joeng meistjie gezien hèn", vroeg Hektor
"Zulma ad 't ook gezien", antwoordde Baziel.
Baziel (232)
Een dame was met een toortslicht aan het zoeken in de goot.
"Wat doe de die do?" vroeg Hektor.
"Ze zoekt heur goekden ring", zei Baziel.
"Hoe wit je gie da?" vroeg Hektor.
"Omda 'k ik hem ol ipgerapt hèn", antwoordde Baziel.
Baziel (233)
Baziel was kelner.
Een klant bestelde een aperitief "maar niet te
straf", soep "maar niet te warm", salade "maar nie te veel azijn op",
biefstuk " maar niet te hard gebakken", frieten "maar niet te vet".
"En wa jo ge drienken?", vroeg Baziel.
"Een glas water", antwoordde de klant.
"Niet te nat zeker?" zei Baziel.
Baziel (234)
Baziel was kelner.
Zegde een klant "garçon, ik heb al veel beter porto gedronken dan deze".
Antwoordde Baziel: "Da kan zien, meneere, mo da was olleszins hier nie".
Baziel (235)
Vroeg Hektor: "En hoe is 't mè je Baziel?
"Nie goed", antwoordde Baziel, "most er entwien kommen zeggen da'k dood zien, 'k zoen d'er nog nooit van verschieten".
Baziel (236)
Baziel in zijn kruidenierswinkel.
Vroeg een klant: "Die appelen, zijn dat Franse of Spaanse?"
Antwoordde Baziel: "Vo wa moe je z'hèn: is 't vor ip 't eten of vo tegen te
klappen?"
Baziel (237)
Kwam daar een autocar door het dorp en stopte.
Baziel kwam een kijkje nemen: de bus zat vol zwarten.
Zei hij tegen de chauffeur " E je e brandje g'hèd dè?"
Baziel (238)
In het Bureau voor arbeidsbemiddeling.
Baziel tegen de ambtenaar: "meneere 'k kommen zeggen da'k een eerlikke mens zien".
"Dat is heel wel", antwoordde die, "maar waarom kom je dat zeggen?"
"E wel, 't is omda 'k werk gevoenden hen en 'k kommen 't were briengen".
Baziel (239)
Zulma lag op sterven.
De verpleegster had een brandende kaars in haar handen gestopt.
Zei Baziel: "Zulma, os je wil dood goan, je zoed er beter e gedacht van maken, want anders go je nog je'n pooten verbranden".
Baziel (240)
"Je pols slaat bijzonder traag" zegde de dokter.
"Da mak nie" antwoordde Baziel, " 'k èn ik ol den tied".
Baziel (241)
Vertelde Baziel tegen Hektor: " Gister was da entwa raars. 'k Kregen ol met e ki een vree goeste vo te werken".
"En wat è je ton gedoon?" vroeg Hektor.
"Ewè 'k hen me e bitjie ip m'n bedde geleid, en 't is lik over gegoon".
Baziel (242)
Baziel was een banaan met pel en al aan het binnen spelen.
Vroeg Hektor: "Moe je dat eerst nie pelen?"
Antwoordde Baziel: "Dat is tie nie nodig, 'k weten ik toch wat dat er dor in
zit".
Baziel (243)
Een dorpsfilosoof was bezig in het café: "De vrouwen", zei hij, "dat is het
zout der aarde".
"Ja", antwoordde Baziel, " 't is dorvan dat de mannen oltied zo'n dust èn".
Baziel (244)
Baziel was kelner.
Een klant " Garçon, ik moet u zeggen dat ik al beter biefstukken geëten heb
hoor".
Baziel: "Da kan zien meneere, mo dat is ollezins hier nie gewist".
Baziel (245)
Met een meer dan zatte kop stapte Baziel naar het toilet en goot er een pas
bestelde pint in uit.
"Wa doe je do nu?" vroeg Hektor.
" 'k Zien 't beu van tusschenpersoon te spelen", antwoordde Baziel.
Baziel (246)
Toen Zulma op sterven lag, voelde de dokter haar pols en zegde: "Baziel, 'k
vrezen da ze nor Ons Here is".
Maar Zulma opende een oog en prevelde: "Hélà, nog zo zere nie, ik leven nog".
Waarop Baziel: "Mo Zulma zwiegt e ki, menere den dokteur wit dat toch wel beter zekere".
Baziel (247)
Eindelijk had Baziel een werkje. In de stadsschouwburg dan nog wel.
"Wa moe je do doen?" vroeg Hektor.
" 'k Moeten ik do de rollen uitdelen" antwoordde Baziel.
"Ja wadde," zei Hektor, "dat is nog een groot werk zeker?"
"Ba jo't" zei Baziel, "toch olle dage één rolle per kabinet en 't zien d'er do
vele".
Baziel (248)
Baziel stond aan het loket van zo'n Kinepolis.
"Twee kartjies" vroeg hij.
"Is het voor Romeo en Julia?" vroeg de kassierster.
"Mo ba nee't" antwoordde Baziel, " 't is vor ik en Zulma".
Baziel (249)
Baziel had weer een werkje: hulpje in een kapsalon.
"Zeep daar maar die klant in" beval de kapper.
Baziel nam een borstel en spuwde er een paar maal krachtig op.
"Héla, gie vuuloard" riep de klant, "a zo nie hé".
Waarop Baziel: "En worom nie? E je misschien liever da'k in j'en oanzichte
spugen?"
Baziel (250)
Baziel was een winkeltje begonnen.
De avond van de eerste dag vroeg Hektor: "En?"
"Ewè 't is nie slicht begost", antwoordde Baziel, "tegen ten elven èn ik m'n
eerste kalant g'hèt".
"En 's achternoens?" wou Hektor weten.
"Ewè achter de noene was 't e bitjie kalmer"antwoordde Baziel.
Baziel (251)
Baziel werd bewaker in het museum.
Tegen de avond kwam de conservator langs.
"M'n eesten dag is goed gewist" meldde hem Baziel, " 'k hèn ol drie van die
schilderieën verkocht".
"Hélà", vroeg de conservator in lichte paniek, "de welke?"
"Da'k het nie mè kannen zeggen", antwoordde Baziel, " z'èn ze direkt meegedoon".
Baziel (251)
Baziel en Hektor hadden een bootje gehuurd en waren gaan vissen.
Het viel erg mee, het was een goede plek en tegen de avond hadden ze al een zakje vol gevist.
Toen het tijd werd om terug te varen, nam Baziel een krijtje en tekende een
kruis op de bodem van het bootje.
"Worom doe je da?" vroeg Hektor.
"E wè 't is vo morgen hé, "omda me de zelste platse zoën werevienden".
"Mo Baziel toch, zie je gie nie goed wies dè: da got toch nie helpen?"
"Ja, j'hèd eigentlik geliek", antwoordde Baziel, "wien zegt er da me morgen 't zelfste bootje gon kriegen".
Baziel (252)
Aan het loket van de Club kocht Baziel een kaartje.
Twee minuten later stond hij daar opnieuw voor een kaartje.
Twee minuten later opnieuw.
Enzovoort.
"Wat steekt gij eigenlijk uit", vroeg de verkoper hem, "dat is nu al wel de
tiende keer dat ge hier een ticket komt kopen".
Antwoordde Baziel: " 't Is de schuld van die vint do zi, ieder ki da'k willen
binnen goan, scheurt ie me kartje kapot".
Baziel (253)
"Wedden da'k in m'n ene oge kannen bieten?" vroeg Baziel aan Hektor.
"Joj zeker" zei Hektor.
Baziel haalde zijn glazen oog uit en beet er in.
"Wedden da'k in m'n ander oge ook kannen bieten?" vroeg Hektor.
"Dat is nie meugelik", antwoordde Hektor.
Baziel haalde zijn vals gebit uit en beet in zijn ander oog.
"Wedden da'k tegen j'en benen kunnen pissen, zoender j'en broek nat te maken?"
"Toog da mor e ki", zei Hektor, al half overtuigd.
Baziel stelde zich tegen Hektor en piste gans diens broek nat.
"Zie je nie beschaamd? Mè j'en dwoze weddingen" riep Hektor.
"Ja wa wil je", antwoordde Baziel, " 'k en kannen nie oltied winnen hé".
Baziel (254)
De televisie had een oproep gedaan voor nieuwe presentatoren.
Baziel kwam zich aanmelden.
"Menere" zei hij, " 't Is vo dat examen van spiekere. 't Is vo te zeggen da je
ip mien nie go moeten rekenen".
Baziel (255)
Baziel en Hektor waren aangeworven als hulpjes om een groot gebouw te
schilderen.
Toen ze aan de dakgoot bezig waren, schoof Baziel plots uit en was
naar beneden gevallen, had Hektor hem niet net nog bij zijn bretellen kunnen vastgrijpen.
Zo hing hij daar, in afwachting van hulp.
Plots begon hij onbedaarlijk te lachen.
"Worom die leute?" vroeg de hijgende Hektor.
" 'k Zien an 't peizen" antwoordde Baziel, "os die bretellen gon los schieten,
da je ze recht in je smoel go kriegen".
Baziel (256)
Baziel rolde een grote ton voor zich uit.
"Zie j'an 't werken dè?" vroeg Hektor.
"Neen 'k" antwoordde Baziel, " 'k gon no m'n dokteur".
"Is dat een vat bier misschien vor hem?"
"Mo ba nee't" zei Baziel, " 'k hen passirde moand ip z'n visite gewist, en j'é
gezeid da'k achter e moand mosten were kommen mè m'n wotere".
Baziel (257)
"Mè Zulma hè kik hoast alle dagen seks" zei Baziel tegen Hektor.
"Allé dè", zei Hektor, "dat is wel vele. Hoe doe je da?"
"Ehwel", antwoordde Baziel, "hoast de Moondage, hoast de Diessendage, hoast de Woensdage, en a zo hoast alle dage".
Baziel (258)
Baziel trok op met een doosje pralines.
"Go je nor een feeste?" vroeg Hektor.
"Ba neen 'k, 'k gon no de begravienge van Alidor" antwoordde Baziel.
"Moe je dorvoren pralinen mee doen?" vroeg Hektor.
"E wa zoe'k anders wel kunnen meedoen dè? 't Stond ip den doobrief 'noch
bloemen noch kransen'."
Baziel (259)
Baziel stond in Zaventem zijn broer af te wachten, die na vijftig jaar uit
Canada terug naar het vaderland kwam.
"Go je gie hem erkennen?" vroeg Zulma.
" Je moet ie mien mor erkennen", antwoordde Baziel, " 't is ie die weggelopen is".
Baziel (260)
Baziel was op een golfterrein verzeild.
"Mag 'k ook e ki spelen?" vroeg hij.
Een vriendelijke speler legde hem uit dat hij tegen het balletje moest slaan in de richting van het vlaggetje.
Baziel gaf een knal van een slag tegen de bal, die op nog geen tien centimeter van de 'hole' terechtkwam.
Het groepje trok er naar toe. "En nu?" vroeg Baziel.
"Nu moet je het balletje in dat putje krijgen" zei de vriendelijke speler.
"Kost je da van den eerste ki nie zeggen?" antwoorddde Baziel.
Baziel (261)
Baziel had een oude pistool gevonden en zat er wat aan te prutsen.
Plots ging een schot af, recht op Hektor: de helft van zijn aangezicht werd
vermorzeld.
Zei Baziel: "Je moe gie do zo gin aonzichte voren trekken. Peis je gie
misschien dat 'k ik ook nie verschoten hèn?"
Baziel (262)
Baziel was kandidaat-treinwachter.
"Moest er gemeld worden dat er twee treinen uit
tegengestelde richting mekaar op het zelfde spoor naderen, wat zou je
dan doen?" vroeg de examinator.
" 'k Zoen ik ton zere m'n broer roepen" antwoordde Baziel.
"Zo, en waarom uw broer?" vroeg de examinator.
Baziel: "Omda tie vree gèren accidenten ziet".
Baziel (263)
Baziel was uitgegleden bij glad weer en lag te spartelen om recht te komen.
Stopte daar plots een auto: 't was de burgemeester zelf.
Hij hielp Baziel recht, zag dat hij zich bezeerd had, nam hem in zijn auto en voerde hem naar huis.
"Wel bedankt burgemeestere", zei Baziel bij het uitstappen.
"Baziel", vroeg de burgemeester, " 't is binnen kort kiezing, go je in 't
stemkotje op me peinzen?"
Waarop Baziel: " Burgemeestere, 'k zien ik ip me gat gevollen wèj, nie ip m'n kop".
Baziel (264)
Baziel liep achter een vrouw aan.
Plots draaide ze zich om en riep: "Meneer, gij achtervolgt mij al een hele tijd.
Kunt ge me zeggen waarom?"
"Ewel, Madamtjie", antwoordde Baziel, "nu da'k je van ol voren zien, vraag ik het m'en ook of".
Baziel (265)
"In een trein" verklaarde Hektor, " is 't oltied den latsten wagon die den
gevoarliksten is".
Antwoordde Baziel: " En worom hangen ze d'er hem ton an?"
Baziel (267)
Baziel was de dakgoot aan het schilderen. Voor ieder lekje verf kwam hij
telkens de ladder af om zijn borstel in de verfpot te roeren.
"Ah mo Baziel", vroeg Hektor, "worom pak je die vervepot nie mee no boven?"
"Da mag 'k nie", antwoordde Baziel, "kiek, 't stoot er ip: grondverf".
Baziel (268)
Baziel was kelner.
Een klant: "Garçon die koffie smaakt naar gisteren. Kun je geen koffie van
vandaag brengen?"
"Zeker menere", antwoordde Baziel, "mo dorvoren go je morgen moeten were kommen".
Baziel (269)
Hektor zat aan het stuur met Baziel naast hem. Beiden weer goed aangeschoten.
Plots werden ze tegen gehouden door rijkswachters en Hektor werd verzocht in het zakje te blazen.
"Doe zere j'en bril of" zei Baziel.
"En worom?" vroeg Hektor.
" E wè da zien ton ol twi gloazen minder" antwoordde Baziel.
Baziel (270)
Baziel en Hektor kwamen zwaar aangeschoten het café uit, midden in de nacht.
Aan een late voorbijganger vroeg Baziel: "Is tram zeven ol weg?"
"Mo meneere", antwoordde de voorbijganger, "j'is ol euren vertrrokken."
"En tram viere?" vroeg Baziel. "Ook" zei de man.
"En tram negen?" vroeg Baziel. "Ze zien ollemolle ol lange weg" zei de man.
"Kom Hektor" zei Baziel, " 't is in orde, me meugen oversteken".
Baziel (271)
"Zoterdag go'k gon visschen" zei Baziel.
"Heb je wormen?" vroeg Hektor.
"Ja'k " zei Baziel, "mo da gif nie, 'k gon ik olgliek".
Baziel (272)
Bij de werkbeurs werd Baziel ondervraagd over zijn studies.
"Dat is niet te goed gewist", antwoordde Baziel, " 'k hèn ik ieder joar moeten dubbelen, uutgenomen ene ki".
"Ha", vroeg de ondervrager, "en in welk studiejaar was dat?"
"Dat is gewist os 'k van 't twidde studiejoar were no 't eerste gevlogen zien"
antwoordde Baziel.
Baziel (273)
Baziel had gewonnen in de Lotto.
Hij kwam het zot van vreugde aankondigen aan Zulma.
"Mak mo de valiezen" zei hij haar.
"No woar gon me?" vroeg ze.
"Ik no Spanje" antwoordde Baziel, "en gie were no je moedere".
Baziel (274)
Baziel kocht een taart bij de bakker en vroeg hem te willen versnijden.
"In vier stukken of in acht?" vroeg de bakker.
"Doe't mor in viere" antwoordde Baziel, "acht stikken zo'k ik nie binnen
kriegen".
Baziel (275)
Baziel liep zo zat als een kanon door de nacht. Hij strompelde van lantaarnpaal tot lantaarnpaal.
Aan een late voorbijganger vroeg hij: "Menere, zoe je e ki kunnen tellen
hoeveel buulen da'k ip m'n voorhoofd hèn?"
"Drie" antwoordde de voorbijganger.
" 't Is goed" zei Baziel, "nog twee lanteirens en 'k zien thuus".
Baziel (276)
Baziel zwalpte in zijn autootje over de baan. De rijkswachters hielden hem
tegen.
"Mijnheer, zoudt ge willen in 't zakje blazen" vroegen ze.
"Ha da magge'k nie doen" zei Baziel, "m'n dokteur zegt da'k zoen kunnen m'n herte uutbloazen".
"Wel, dan zullen we moeten bloed trekken", zegden de rijkswachters.
"Da meugt ook nie" antwoordde Baziel, "dat is tegen m'n geloof".
"Wel dan blijft er niets over dan de looptest. Stap maar uit en loop hier over
die witte lijn".
"Da kan ik nie" antwoordde Baziel, " 'k zien dorvoren veel te droenke".
Baziel (277)
Baziel reed tegen overdreven snelheid en werd tegengehouden door de rijkswacht.
"Toon mij eens uw rijbewijs" vroeg de gendarm.
"Jamo", antwoordde Baziel, "je moe giender e ki begunnen weten wat da je wilt.
Gie vraag vandage m'n riebewies en dien ander gandarm héét hem gister nog mor ofgepakt".
Baziel (278)
Hektor liet aan Baziel weten: "Ik heb mijn been gebroken op twee plaatsen".
Antwoordde Baziel: "Most ik van joen zien, 'k en zoen no die platsen nie me were goan".
Baziel (279)
Baziel zegde aan Hektor: "Margriet Hermans hé, z'hee zie twi blauwe ogen"
Vroeg Hektor: "Hoe weet je gij dat zo goed?"
Antwoordde Baziel: "Omdat 'k ze geteld hèn".
Baziel (280)
Baziel zegde aan Hektor: "Ik hèn last mè m'n ogen. k'Zien olsan mo plekstjies".
Vroeg Hektor: "Hè je ol een dokteur gezien?
Baziel: "Neen ik, juuste mo plekstjies".
Baziel (281)
Baziel tegen Zulma: " Ik hèn 't groot lot gewonnen. Me gon ons leven veranderen.
Mak mo je valiezen".
Zulma die op reizen dacht: "Mè waffer kleren, vo de warme landen of vo de koede landen?"
Baziel: " 't Is mien ol geliek, os je mo makt da j'hier tegen van de noene
buuten ziet".
Baziel (282)
Baziel had naast zich een vol glas met water staan en een leeg glas.
Vroeg Hektor: "Worom hè je gie twi gloazen nodig?
Antwoordde Baziel: "Dat is een glas vor os 'k dust èn en een glas vor os 'k
geen dust èn".
Baziel (283)
Baziel zat de koeien te melken in de wei.
Hektor vroeg hem: "Zie je nie benauwd van die stier do?"
"Mo ba neen ik", antwoorddde Baziel, " 'k zien ze schoonmoeder an 't melken, je got die wè nie dichte bie kommen".
Baziel (284)
Zulma: "Baziel, je kiek zo rare. Wa schilt er?"
Baziel: " 'k Hen juuste e boekstje gelezen met e gheel triestig ende".
Zulma: "En waffer boekstjie is da?"
Baziel: "Ons spoarboekstjie".
Baziel (285)
" 'k Hen gelezen", zei Hektor, "da scheên meer geld kost dan trouwen".
"Dat is toch mo normol", antwoordde Baziel, "jè dor veel langer deugd van".
Baziel (286)
Baziel kwam bij een classicus terecht.
"Meneer de professer" vroeg hij, "zoe je gie mien kunnen latien leren?"
"Ha zo" vroeg de leraar, waarom wil jij noog latijn leren?"
"Ehwel", antwoordde Baziel "ik peinzen dè'k
nie lange mè gon leven en os 'k bie Sinte Pieter kommen zoe'k
wel willen z'n toale verstoan".
"En neem nu eens dat je naar de hel vliegt, wat dan?" vroeg de leraar.
"Dat is zo erg nie" vond Baziel, "m'n duutsch ken 'k ol e bitjie".
Baziel (287)
Midden in de nacht kwam hij thuis en zocht langdurig naar het sleutelgat.
Door het venster van de slaapkamer leunde Zulma naar buiten en riep "Me zien zeker were goed droenke?"
Riep Baziel terug: "Van joen weet 'k het nie, mor ik olleszins".
Baziel (288)
De sergeant vroeg aan soldaat Baziel: "Wat zou je meenemen in de brousse om je te beschermen tegen de wilde dieren".
Antwoordde Baziel: "Een rotsblok van viftig kilo".
"En waarom wel?" vroeg de sergeant.
"Ehwel, os 't er een wilde beeste komt, kunnen dien blok wegsmieten en azo kun 'k ton rapper lopen".
Baziel (289)
Baziel zat op zijn knieën onder een lantaarnpaal de straat af te tasten".
"Wat zoek je? vroeg Hektor.
"M'n sleuter" antwoordde Baziel.
Hector begon mee te zoeken, maar na een hele poos werd niets gevonden.
Vroeg Hektor: "Zie je zeker da je hem hier verloren hebt?"
"In feite is 't ol den overkant van de stroate da 'k hem loaten vollen hen" zei
Baziel, "mo do kan 'k nie zoeken, 't is do veel te doenker".
Baziel (290)
Op een sessie bij de huwelijkstherapeute.
Vroeg de geëmancipeerde dame: "Wie doet het elke dag?" Een paar vingers gingen de lucht in.
"Wie doet het elke week?" Weer enkele vingers.
"Wie elke maand?" Opnieuw een paar armen de lucht in.
Eindelijk vroeg ze: "En wie doet het maar één keer per jaar?"
Baziel begon uitbundig te roepen: "Ikke, ikke, ikke".
Zegde de therapeute: "Ben je daar dan zo blij om, dat is toch echt niet zo
bijzonder?"
"Da kan zien" antwoordde Baziel, "mo 't is omdat juuste vo vandage is".
Baziel (291)
Met een stuk in zijn kraag kwam Baziel de kerk binnen.
Aan het altaar stond de priester, in vol ornaat, met het wierookvat te zwaaien.
Riep Baziel: "Hé madam, past ip, je sacoche stoat in brande".
Baziel (292)
Baziel werd aangeworven om witte strepen op het wegdrek te schilderen.
Tegen de middag had hij al honderd meter gedaan.
De meestergast was opgetogen.
Maar toen het avond werd had hij er nog amper 20 meter aan toegevoegd.
"Ehwel" bromde de meestergast, dat is veel te weinig hoor. Hoe komt dat nu?"
"Dat is miens schuld nie" antwoordde Baziel, 'k moeten olsan mo verder were keren no die vervepot".
Baziel (293)
"Waar is Baziel?" vroeg Hektor
"Boven in de badkamer" antwoordde Zulma.
Hektor trok naar boven en vond daar Baziel in de badkuip waarvan de bodem amper met water bedekt was.
"Pak je gie een bad in zo winnig woater?" vroeg Hektor.
" 'k Pakken ik gin bad", antwoordde Baziel, "k zien ik m'n medikamenten an 't pakken.
"En moe je dorvoren in 't bad kruupen?" vroeg Hektor.
" Eh 'k zien wel verplicht, den dokteur e gezeid da 'k ze mosten pakken in e
bitje lauw woater".
Baziel (294)
Eindelijk had hij werk gevonden in een bouwfirma.
Maar een halfuur nadat hij vertrokken was, stond hij al weer thuis.
"Wat is da nu" vroeg Zulma, zie je dor ol were?"
"Wa wil je", antwoordde Baziel, "aan de poorte stond er een groot plakkoat
"verboden de werf te betreden". Zo 'k zien to mor were nor huus gekommen."
Baziel (295)
Werkend aan een electrische zaagmachine, boog Baziel te veel voorover en plots "woef" zijn oor werd afgezaagd.
Een andere arbeider kwam bij, raapte het oor op en gaf het aan Baziel.
Maar die moest het niet hebben: "Dat is mien ore nie" zegde hij.
"Neen en hoe wit je dadde" vroeg de collega?
"Omdat er achter mien ore een potlood zat" antwoordde Baziel.
Baziel (296)
In de trein zat hij vrolijk een pijpje te roken in een niet-rokers compartiment.
Kwam de controleur langs die streng riep "Hier wordt er niet gerookt".
"Neen?" antwoordde Baziel, " 'k peinzen da je toch e ki no den oogmeester go moeten".
Baziel (297)
Met zijn nieuwe GSM telefoneerde hij naar Zulma
vanuit zijn auto: " 't Is vo te zeggen da 'k mo loate gon thuus kommen,
want 'k stoan in de file".
"En is het een lange file?" wou Zulma weten.
"Da kan 'k nie zeggen" antwoordde Baziel, " 'k stoan gheel ol voren".
Baziel (298)
Wat eet je zo allemaal? vroeg de dokter.
Antwoordde Baziel : " 's Nuchtens een boerebrood met
een eitjie of zesse en een goeje kladde smoet; 's noens enigte worsten
met een pot petatten, en ’s avons een terwebrood met koas en
hespe".
De dokter: "Geen wonder dat je cholesterol naar de
zeshonderd oploopt. Daar moet je dringend iets aan doen. Hier heb ik
een voorschrift voor je: ’s morgens twee beschuitjes, s'middags
een salaatje en 's avonds een potje magere yoghurt".
Vroeg Baziel: "En wanneer moet 'k da pakken, meneer den dokteur, vo 't eten of d'er achter?"
Baziel (299)
Met zijn zatte kop reed Baziel een stationerende rijkswachtcombi aan. De
rijkswachters stapten uit en kwamen tot bij hem.
"Ehwel" zegde Baziel, "je ziet er giender van deze kir wel zere bie".
Baziel (300)
De veldwachter hield hem tegen en inspecteerde zijn fiets.
Hij zegde: "De remblokken verdwenen, de remkabel
kapot, geen achterlicht, geen reflector, een kapotte bel, een scheef
stuur, de helft van de spaken weg. Dat zal u iets van een drie duizen
frank kosten beste vriend".
Vroeg Baziel: "En go da vo die pries ton ollemoale vermakt zien?"
Baziel (301)
Aan het stuur van een volgeladen camionette werd Baziel tegen gehouden door rijkswachters.
"Die wagen is kennelijk overladen. Identiteitskaart, rijbewijs en boordpapieren afgeven a.u.b." gromden ze.
"Peis je giender echt da dat 't verschil go maken ?" vroeg Baziel.
Baziel (302)
In de rivier lag iemand te spartelen die riep: "Ik kan niet zwemmen" Ik kan
niet zwemmen".
Baziel kwam voorbij en riep terug: " Ik en kannen ik ook nie zwemmen, mo 'k maken ik dor zo gin spil van".
Baziel (303)
In het warenhuis bemerkte Hektor dat Baziel melkdozen opende voor hij zijn in het karretje zette.
"Worom doe je da?" vroeg Hektor.
"Ehwel omda da verplichtend is", antwoordde Baziel, "Kiek 't stoat er ip in
grote letters: HIER OPENEN".
Baziel (304)
Hektor vroeg: "Wil je eens kijken of mijn knipperlichten achteraan werken?"
Baziel keek en riep "Joa ze, nee ze, joa ze, nee ze, joa ze, nee ze.."
Baziel (305)
Baziel kwam bij de tandarts, vergezeld van Zulma.
"Vor een tand te trekken" zegde hij, "Mo nie te vele
gin makementen hé, mèd olle soorten van foto's en
stekjtjies en slapmiddels. geweune mo trekken en voila".
"Wat een moedige klant ben jij" zegde de dokter, "toon me eens die tand".
"Allé Zulma" antwoordde Baziel, "toog e ki j'en tand".
Baziel (306)
Bij de apotheker.
Baziel stond in de rij.
Voor hem een dame die fluisterde: "de pil". De apotheker gaf haar diskreet het gevraagde.
Vervolgens een man die fluisterde: "kapoten". Nog discreter gaf de apotheker hem het gevraagde.
Aan de beurt gekomen fluisterde Baziel: "vazeline".
"Wat vraag je?" vroeg de apotheker, "Spreek eens wat luider, ik hoor je niet".
"Ja mo", antwoordde Baziel, " 't is ook vo te poepen wèje".
Baziel (307)
Baziel wou zich installeren als aannemer. Hij begon al direkt met op de
aanbesteding in te schrijven voor een nieuwe tunnel onder de Schelde.
Zijn prijs lag ver beneden alle andere, maar de ingenieur van bruggen en wegen betrouwde het vanzelfsprekend niet.
Hij riep Baziel en vroeg hem: "Leg mij eens uit hoe
gij dat zo goedkoop kunt doen. Uw prijs ligt méér dan de
helft onder die van de volgende laagste aanbieder;"
"Eh wel", antwoordde Baziel, "'k gon dat e kir uitleggen. 'k Doen ik da ten
kleine koste. 'k Begunnen ik ol die kant hier
mè m'n Buultjie te graven en ol den overkant begunt Hektor 't
zelfste. En in 't midden gon me ton mollekoor tegen kommen".
Zegde de ingenieur: "En veronderstel nu eens dat ge
een verkeerde berekening maakt en ge mekaar niet in het midden ontmoet.
Wat dan?
"Eh wel," zei Baziel, "je krieg gie ton twi tunnels vo de pries van enen".
Baziel (308)
Baziel werd metsenaarsdiender.
"Je maakt een bak mortel, en je schept dat in een emmer. Die neem je mee,
telkens met een vrachtje stenen op je schouder",
zegde de ploegbaas, "je klimt de ladder op en je levert dat ginds boven
af bij de metsenaar."
Zo deed Baziel.
s' Avonds had hij uitstekend werk geleverd.
De ploegbaas zegde: " Je ziet een goejen Baziel, je mag voort kommen".
Zegde Baziel: "Mo dien diender dor neffens mien, dat is mor een leegganger wèje.
Most jèm ofdanken, 'k zoen wel zien werk d'er bie pakken".
Zo gezegd, zo gedaan.
Vanaf 's anderendaags maakte Baziel de mortel en droeg hij de bakstenen naar boven voor twee metsers.
De dag daarop ging hij weer naar de ploegbaas: "Dien
anderen dor", zegde hij, "dat is een plantrekker die nie vele doet.
Most jèm ofdanken, je zoe ’t nooit voelen, en 'k willen ik
gerust zien werk d'er bie pakken."
En zo gebeurde. Baziel maakte voortaan mortel en
bracht de baksteen aan voor drie metsers. Nooit eerder gezien, dacht de
ploegbaas.
Een paar dagen later stond Baziel daar weer.
"Meestergast", zei hij, "je zoe gie zeker gin
grotere schippe kunnen kopen vo me? Want mèt die schippe hier
got da nie zere genoeg om te miengelen. 'k Zoen ton nog
méér mortel kunnen maken".
De ploegbaas vond het zo al welletjes, want hij was
natuurlijk erg tevreden met die nieuwe rekruut, maar anderzijds had hij
nogal wat klachten van de andere werknemers tegen dien "uitslover".
Hij vond dan maar een smoesje uit: "Den baas wil
daar niets van horen", zei hij, "we moeten bezuinigen en alleman moet
het standaardmateriaal gebruiken, zoals het voorhanden is".
" 't Is ton nie an te doen hé", zegde Baziel.
Een paar dagen later, ingelicht over de
uitzonderlijke nieuwe werkkracht die op de werf bezig was, kwam de baas
hem persoonlijk groeten.
"Baziel" zegde hij, "ik ben heel tevreden over je. Daarom heb ik beslist je
vanaf vandaag een mooie loonsverhoging te geven".
Waarop Baziel: "E gie godverdiksche lelijkoord. Vor
ipslag te geven, dor è je geld voren hé, mor os ekik
vragen voor een grotter schippe, ton kan 't nie
zien".
Baziel (309)
Baziel was Jood.
De nazi's stuurden hem naar het concentratiekamp.
Op een dag zwierden de poorten open.
Trompetgeschal en troepenbeweging: de Führer zelf op bezoek.
Hij riep Baziel en zegde: "Baziel, je bent de vijf
miljoenste gevangene van Das Reich. Als genademaatregel krijg je je
vrijheid terug en je mag zelfs nog een wens doen die je in 't leven kan
vooruithelpen."
"Bedankt, wel bedankt Führer", zei Baziel
"èwè os 't zoe kannen zien, 'k zoen hier wel willen de
gaze leveren".
--------------------------------------------------------------------------------